Inhoudsopgave

dinsdag 31 januari 2017

‘Als God liefde is, waarom … ‘ (2)

Vorige keer hebben we gezien wat er mis is met de vraag ‘als God liefde is, waarom  dan al die ellende in de wereld?’ Er zijn echter nog meer bezwaren.

Laten we de eerste vier woorden van de gewraakte vraag eens nader bekijken. Als God liefde is… Als God liefde is?? God is liefde! Het begin van onze vraag lijkt dat gegeven zelfs al in twijfel trekken. GOD is liefde (niet iemand anders), God IS liefde (dus ook nu, vandaag), God is LIEFDE (God heeft ook andere eigenschappen, maar die worden nu niet bedoeld).

De vragenstellers gebruiken bij hun vraag namelijk het Nederlandstalige woord voor liefde. Maar bij ons woord liefde weet je niet meteen wat er precies bedoeld wordt. In de Bijbel is dat wel het geval. De Schrift spreekt op talloze plaatsen van Gods liefde. Er is sprake van liefde tussen de Vader en de Zoon, van de Vader en de Zoon tot de gelovige(n), van God tot Israël en van God tot de wereld. Dat laatste is voor ons onderwerp het interessantst, want het gaat om liefde en de wereld. We lezen over Gods liefde voor de wereld in Johannes 3:16.

Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe.

Nu kent het Grieks – het Nieuwe Testament is in het Grieks geschreven - verschillende woorden voor liefde (eros, filia, agapè) die in de Nederlandstalige Bijbel allemaal met liefde worden vertaald. Wil je de tekst goed begrijpen, dan moet je weten welk woord voor liefde wordt gebruikt.

1. Eros - heeft te maken met aantrekkingskracht tussen mannen en vrouwen, iets wat God heeft geschapen, een zaak van het hart, het overkomt je, je hebt er maar weinig controle over.
2. Filia - liefde uit genegenheid. Meer een liefde van het verstand dan van het hart. Je herkent jezelf in de ander, er is sprake van geestverwantschap, van wederzijdse herkenning. Twee christenen die elkaar nooit eerder hebben ontmoet merken onmiddellijk de aanwezigheid van filia - alsof ze elkaar al jaren kennen.
3. Agapè - Liefde in actie. Dit is een zaak van de wil. ‘Voor iemand zorgen’ is een goede omschrijving. Voor iemand zorgen betekent dat je hem aandacht geeft en iets voor hem doet. Dus geen reactie op grond van aantrekkelijkheid, geen reactie op wederzijdse herkenning, maar een respons op andermans behoeften. Natuurlijk zijn ook hier gevoelens: gevoelens van medelijden. Een prachtig voorbeeld geeft Jezus in de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan. Hier geen filio, de Samaritaan kende de man niet eens. Wel was er agapè. Op grond van medelijden bewees de Samaritaan de gewonde liefde: hij gaf hem aandacht en zorgde voor hem.

In het evangelie van Johannes vinden we een leerzame illustratie van het verschil tussen filia en agapè.

Toen zij dan de maaltijd gehouden hadden, zeide Jezus tot Simon Petrus: Simon, zoon van Johannes, hebt gij Mij waarlijk lief, meer dan dezen? Hij zeide tot Hem: Ja Here, Gij weet, dat ik U liefheb. Hij zeide tot hem: Weid mijn lammeren.
Hij zeide ten tweeden male weder tot hem: Simon, zoon van Johannes, hebt gij Mij waarlijk lief? En hij zeide tot Hem: Ja Here, Gij weet het, dat ik U liefheb. Hij zeide tot hem: Hoed mijn schapen.
Hij zeide ten derden male tot hem: Simon, zoon van Johannes, hebt gij Mij lief? Petrus werd bedroefd, dat Hij voor de derde maal tot hem zeide: Hebt gij Mij lief? En hij zeide tot Hem: Here, Gij weet alles, Gij weet, dat ik U liefheb. Jezus zeide tot hem: Weid mijn schapen. (Johannes 21:15-23)

Petrus had gezegd dat hij alles voor Jezus over had. Hij was zelfs bereid voor Hem te sterven (Marcus 14:31). Petrus had - zo dacht hij zelf -  de hoogste liefde voor Jezus. Wat vergiste hij zich.
Jezus vraagt Petrus drie keer naar zijn liefde voor Hem. Tweemaal vraagt de Heer of Petrus ook agapè-liefde voor Hem heeft. Tweemaal antwoordt Petrus dat hij genegenheid voor Jezus voelt. De derde maal neemt Jezus het woord phileō over. En dan pas kan Petrus bevestigend antwoorden. Hij heeft zijn lesje geleerd! Hij durft niet meer te zeggen dat hij alles voor Jezus overheeft (agapè). Hij kan wel zeggen dat hij genegenheid voelt voor Jezus (filia). Jezus is alles voor hem, hij houdt van zijn Heer en Heiland.

In schema: 

Jezus vraagt
Petrus antwoordt
Vers 15
agapaō
phileō
Vers 16
agapaō
phileō
Vers 17
phileō
phileō

Als we spreken over de liefde van God voor deze wereld, dan komen we dus onvermijdelijk uit bij Johannes 3:16. Daar wordt het woord agapè gebruikt. God had de wereld lief - dat wil zeggen, God wist wat de wereld nodig had en handelde dienovereenkomstig. Hij gaf Zijn eniggeboren Zoon. Er is geen sprake van filia. God had immers geen enkele reden om de mensheid ‘aardig’  te vinden. 

woensdag 25 januari 2017

'Als God liefde is, waarom … ' (1)


Wat hebben we deze vraag de afgelopen jaren vaak gehoord! En wat moet je antwoorden? Natuurlijk is God liefde! Maar al die vreselijk gebeurtenissen, hoe verklaar je dat dan? Of is God misschien niet almachtig, ook al zegt de Bijbel van wel? We weten het allemaal, het is een vraag die elke gelovige in verlegenheid brengt. Maar dat is niet nodig. Waarom, dat zullen we in het navolgende zien.

Laat ik meteen maar met de deur in huis vallen. De vraag kan helemaal niet beantwoord worden! Waarom niet? Omdat de vraag zelf niet deugt. Het is een vraag in dezelfde categorie als deze: ‘Kan God een steen maken, die Hij zelf niet kan optillen?’ Anders gezegd, het is geen vraag die om een antwoord vraagt. Het is een vraag die bedoeld is het Bijbelse geloof in diskrediet te brengen. Dit soort vragen komt regelrecht uit de koker van Gods tegenstander. Toch zijn er zat mensen die ernstig worstelen met dit probleem, maar daar wordt het nog geen goede vraag van.

We lezen in de Bijbel veel over Gods liefde. Sterker nog, God is liefde. Het Nieuwe Testament getuigt daar op vele plaatsen van. Het gaat niet aan deze eigenschap van God in twijfel te trekken. Dat gebeurt namelijk wel. Het is voor iedereen duidelijk dat er elke dag vreselijke dingen gebeuren. En dat valt niet te rijmen met Gods liefde, toch? We doen er dan ook goed aan deze vraag te vervangen door een andere - die wel Bijbels is.

Laten we terugkeren naar het begin van de geschiedenis van de mensheid. Adam en Eva leefden in perfecte omstandigheden in intieme omgang met God. God had echter een proefgebod ingesteld. Ze mochten niet eten van de boom van kennis van goed en kwaad. Er stond een sanctie op, namelijk de dood. Eten van de boom was zonde, en het loon van de zonde is de dood. Nu zegt God niet zomaar wat. Als God iets zegt, dan brengt Hij het ook ten uitvoer. Soms langs wegen die anders zijn dan wij hadden verwacht, maar er is nooit sprake van ‘ach, laat ook maar’. Dat past beter bij ons mensen.

Adam en Eva overtraden Gods gebod. Paulus zet eeuwen later uiteen dat vanaf dat moment de dood het laatste woord heeft.

Daarom, gelijk door een mens de zonde de wereld is binnengekomen en door de zonde de dood, zo is ook de dood tot alle mensen doorgegaan, omdat allen gezondigd hebben; (Romeinen 5:12)

Alle mensen zondigen, alle mensen verdienen de dood, alle mensen sterven. Het is in alle eeuwen gebleken dat God geen woord te veel heeft gezegd. Toch is hier iets bijzonders aan de hand. God had gezegd ‘ten dage’. Dus Adam en Eva, op dag dat je eet van de vrucht, sterf je. En dat is niet gebeurd. Sterker nog, Adam leefde bijna 1000 jaar voor hij stierf. Na de zondvloed nam de levensduur echter steeds verder af. En nu weten we allemaal van de leeftijd der sterken en zeer sterken.

De dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren, en, indien wij sterk zijn, tachtig jaren; (Psalm 90:10a)

Paulus zegt hier nog iets bijzonders over.

(…) daar Hij de zonden, die tevoren onder de verdraagzaamheid Gods gepleegd waren, had laten geworden - om zijn rechtvaardigheid te tonen. (Romeinen 3:25)

God heeft de zonde laten ‘geworden’. Dat wil dus zeggen dat God niet meteen ingrijpt bij de eerste de beste zonde. Toch is God rechtvaardig en straft rechtens de zonde. Die straf voltrekt Hij echter op het moment dat Hij daar de tijd rijp voor acht. Als we deze dingen nu bij elkaar brengen, vinden we het volgende. Ieder mens zondigt, ieder mens verdient dus te sterven. Maar het gebeurt vrijwel nooit dat God de zonde meteen straft met de dood. We krijgen dus van God een aantal levensjaren die we eigenlijk niet hadden verdiend. Waarom? God is behalve rechtvaardig ook genadig. Bovendien vindt Hij de dood van een zondaar iets vreselijks. Luister maar naar Ezechiël.

Zeg tot hen: zo waar Ik leef, luidt het woord van de Here Here, Ik heb geen behagen in de dood van de goddeloze, maar veeleer daarin, dat de goddeloze zich bekeert van zijn weg en leeft. (Ezechiël 33:11a)

De vraag ‘Als God liefde is, waarom dan al die ellende in de wereld?’ kunnen we nu vervangen door een andere, meer Bijbelse. Hij luidt: ‘Als God rechtvaardig is, waarom zijn we dan nog in leven?’ Deze vraag doet ons denken aan Jeremia in Klaagliederen 3:22a!

Het zijn de gunstbewijzen des Heren, dat we niet omgekomen zijn.

Dus, als er een ramp gebeurt, zou er niet moeten worden gevraagd naar de reden van al die doden, maar naar de reden van de vele overlevenden! Waarom leven we nog? Omdat God genadig is! Hij geeft de overlevenden extra tijd om zich te bekeren. En dat nu is precies de betekenis van het antwoord dat Jezus geeft als Hem gevraagd wordt naar het waarom van al die slachtoffers bij rampen. Zijn antwoord luidt: ‘Maar als u zich niet bekeert zult u allen evenzo omkomen’.

Terzelfder tijd kwamen enigen tot Hem met het bericht over de Galileeërs, wier bloed Pilatus met hun offers vermengd had.
En Hij antwoordde en zeide tot hen: Meent gij, dat deze Galileeërs groter zondaars waren dan alle andere Galileeërs, omdat zij dit lot hebben ondergaan?
Neen, zeg Ik u, maar als gij u niet bekeert, zult gij allen evenzo omkomen.
Of meent gij, dat die achttien, op wie de toren bij Siloam viel en die erdoor gedood werden, schuldiger waren dan alle andere mensen, die in Jeruzalem wonen?
Neen, zeg Ik u, maar als gij u niet bekeert, zult gij allen evenzo omkomen. (Lucas 13:1-5)

‘Als God rechtvaardig is, waarom zijn we dan nog in leven?’ Dat is de juiste vraag. Want die vraag zet Gods genade in het volle licht. De vraag ‘Als God liefde is, waarom dan al die ellende?’ plaatst God in de beklaagdenbank. Hij zou er wat aan kunnen doen, maar doet het niet. De vraag ‘Als God rechtvaardig is, waarom zijn we dan nog in leven?’ legt de schuldvraag daar waar hij hoort, namelijk bij de mens.