Inhoudsopgave

dinsdag 28 februari 2017

Brochure: '2017 – 500 jaar na Luther' (4)


Leeswijzer

Cursief weergegeven tekst: citaten uit de besproken brochure
Tekst in kleine letters: citaten uit de Bijbel
Alle andere tekst: mijn toelichting

Stelling 7:

De katholieke kerk maakt de mensen bang met de leer van de eeuwige pijniging. Ze hebben geprobeerd mensen te overtuigen dat diegene die niet trouw zijn aan de katholieke kerk uiteindelijk in de hel zullen belanden.
Zij zeggen dat er een eeuwig hellevuur is en dat de goddelozen daarheen gaan en daar steeds maar weer worden gemarteld met vuur en zwavel. (p. 18)
Deze katholieke leer over het eeuwige hellevuur is helaas verder verspreid naar protestantse kerkgenootschappen! (p. 20)

Terecht besteedt de brochure aandacht aan de aflatenhandel. Een praktijk die Luther een doorn in het oog was. Ook de leer van het vagevuur - een soort middenruimte met tijdelijke straffen wanneer een persoon sterft - wordt terecht ontmaskerd.

Volgens de brochure leert de Bijbel dat er een eeuwige straf is - een straf waarvan de gevolgen voor eeuwig vaststaan. Tegelijkertijd wordt ontkend dat er sprake is van een eeuwige bestraffing - een straf die dus altijd doorgaat. Als we kunnen aantonen dat de Bijbel een eeuwige bestraffing leert - wat ik geloof - dan kan het eerste, de eeuwige straf, niet waar zijn, en omgekeerd.
In de brochure wordt nogal gegoocheld met beelden en woordbetekenissen. Nadat terecht de leer van het vagevuur is veroordeeld, gaat de brochure in op het hierboven genoemde thema. Onderstaande citaten vatten de uitleg samen:

Hier (p. 20) staat dat de steden en zijn inwoners met eeuwig vuur moesten worden verbrand. Het was de straf voor hun immoraliteit. Wij weten dat deze steden vandaag de dag niet meer branden. Het vuur stopte als eenmaal alle dingen waren opgebrand en in as waren veranderd. (…)
De straf van de goddelozen zal eindigen met de dood en met as. Het vuur is onblusbaar totdat de straf over is. Het is eeuwig in die zin dat het vuur onblusbaar is en de gevolgen eeuwig zijn. Het woord ‘eeuwig’ komt van het Griekse woord ‘aion’ en betekent lange tijd, levensduur, eeuwig. Dus wanneer goddelozen worden gestraft in de poel van vuur ‘een lange tijd’ of ‘een levensduur’ naar hun werken, dan eindigt het met de dood (p. 21).

De straf leidt volgens de brochure tot de vernietiging van de ziel. In mijn vorige blog hebben we echter gezien dat onsterfelijk werkelijk onsterfelijk betekent. Dat houdt noodzakelijkerwijs in dat ook in de hel de ziel onsterfelijk is. Dat houdt dan weer in dat het vuur nimmer stopt.
De tweede 'truc' is gelegen in de betekenis van het woord eeuwig. Volgens de opstellers van de brochure betekent 'eeuwig' niet altijd 'altijddurend'. Wanneer wordt dan met eeuwig wel altijddurend bedoeld, en wanneer niet? Het blijkt dat dit onderscheid volkomen willekeurig plaatsvindt. Wanneer het beter in de leer van de zielsvernietiging past dat eeuwig niet altijddurend betekent, dan krijgt eeuwig inderdaad de betekenis 'tijdelijk'.

Laten we met een paar teksten eens zien hoe dat uitpakt. In Mattheüs 25 spreekt de Here Jezus uitgebreid over oordeel en leven na de dood. Hij sluit af met vers 46.

En dezen zullen heengaan naar de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen naar het eeuwige leven. (Mattheus 25:46)

In deze tekst gebruikt de Here Jezus tweemaal het woord 'eeuwig' (Grieks: aiōnios). Volgens de uitleg in de brochure zou deze tekst aldus moeten luiden: 'En dezen zullen heengaan naar de tijdelijke straf, maar de rechtvaardigen naar het eeuwige leven'. U ziet, volkomen willekeurig. We kunnen immers met net zo veel recht vertalen 'En dezen zullen heengaan naar de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen naar het tijdelijke leven'  of 'En dezen zullen heengaan naar de tijdelijke straf, maar de rechtvaardigen naar het tijdelijke leven'. Hoe doorzichtig! De betekenis van 'aiōnios' is 'zonder einde', 'altijddurend'. Daar valt niet aan te ontkomen. De uitleg van Mattheus 25:46 is dan ook niet moeilijk. Het volk aan de linkerhand wordt veroordeeld tot de eeuwige straf. En die eeuwige straf is niets anders dan het eeuwige vuur. Dat dit een moeilijk te verteren zaak is, spreekt voor zich. Niemand vindt de hel een aanlokkelijk oord. Toch zegt de Here Jezus in vers 21:

Gaat weg van Mij, gij vervloekten, naar het eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bereid is. (Mattheus 25:41)

Ook hier gebruikt de Here Jezus het woord aiōnios', zonder einde. De Schrift kent ook nog de uitdrukking 'tot in alle eeuwigheden' (eis tous aiōnas tōn aiōnion), een zo mogelijk nog sterkere aanduiding van 'zonder einde'. Deze uitdrukking wordt onder andere gebruikt om de duur van lofprijs gericht aan het Lam mee aan te duiden, maar ook om het 'altijddurende' van de eeuwige straf te benadrukken.

En alle schepsel in de hemel en op de aarde en onder de aarde en op de zee en alles wat daarin is, hoorde ik zeggen: Hem, die op de troon gezeten is, en het Lam zij de lof en de eer en de heerlijkheid en de kracht tot in alle eeuwigheden. (Openbaring 5:13)

En de rook van hun pijniging stijgt op in alle eeuwigheden, en zij hebben geen rust, dag en nacht, die het beest en zijn beeld aanbidden, en al wie het merkteken van zijn naam ontvangt. (Openbaring 14:11)

Consequentie

Men zou kunnen betogen dat het niet uitmaakt of er al dan niet een eeuwigdurende bestraffing is. Geen mens ontkomt aan de dood, en ontdekt dan vanzelf wel hoe de vork in de steel zit. Dat is echter te oppervlakkig gedacht. Mensen hebben altijd al - uit een soort van mededogen - moeite gehad met het concept van de hel. 'God is toch liefde, en Hij zal nooit iemand eeuwig laten lijden.' God is echter ook rechtvaardig, en dat betekent dat God vonnis voltrekt op een volkomen rechtvaardige manier. Dit laatste willen we als mens echter liever niet horen, we stoppen het weg, ontkennen het of geven er een draai aan. Het was meen ik Okke Jager (1928 - 1992) die schreef: "Wie in dit leven niet tegen God leert zeggen 'Uw wil geschiede', zal God na het sterven horen zeggen 'Uw wil geschiede'". Met andere woorden, wie tijdens zijn leven niets met God van doen wilde hebben, zal merken dat God in de eeuwigheid niets met hem van doen wil hebben. En dat is een ernstige boodschap.

Er zijn diverse dwalingen die hier mee trachten te dealen. De leer van de alverzoening leert dat uiteindelijk iedereen (de duivel c.s. incluis) in de hemel zal komen. De Jehova Getuigen hangen de leer van de zielsvernietiging aan, en de Zevendagsadventisten prediken de zielenslaap eventueel gevolgd door de zielsvernietiging. Alle drie dwalingen 'verzachten' op de een of andere manier de boodschap van het bestaan van de hel. Het gevolg daarvan is dat de prediking van zonde en bekering zijn scherpte verliest. Zich niet willen bekeren heeft minder ernstige consequenties als een van deze drie 'leerstukken' waar is. Maar omdat de werkelijkheid zich niet aan dwaalleer aanpast, nemen de bedenkers van deze uitvluchten een grote verantwoordelijkheid op zich. Mensen die zich wellicht zouden hebben bekeerd, laten mogelijk de gelegenheid voorbij gaan …

Een andere, nog ernstiger consequentie is dat deze dwalingen tekort doen aan de waarde en de diepte van het verzoenend lijden en sterven van de Here Jezus. De Alverzoener, de Jehova Getuige en de Zevendagsadventist staan als het ware bij het kruis van Golgotha waarop op dat moment de Here Jezus het lijden doormaakt waarvoor Hij blijkens de gebeurtenissen in Getsemané zo bang voor was. De Alverzoener, de Jehova Getuige en de Zevendagsadventist zien het even aan en zeggen dan tegen de Here Jezus: 'Het is wel erg aardig dat U dit voor de mensen doet, maar ziet U, het is eigenlijk niet nodig, want wij weten hoe het echt zit'.

Waarom hangt de Here Jezus aan het kruis? Omdat Hij weet hoe erg het is de eeuwigheid in de hel te moeten doorbrengen. Hij heeft alles gegeven om er voor te zorgen dat mensen daarvoor gespaard zouden kunnen blijven.

Hoed u voor verkeerde leer!

donderdag 23 februari 2017

Brochure: '2017 – 500 jaar na Luther' (3)


Leeswijzer

Cursief weergegeven tekst: citaten uit de besproken brochure
Tekst in kleine letters: citaten uit de Bijbel
Alle andere tekst: mijn toelichting

We zijn toe aan stelling 6:

De katholieke kerk gelooft in de onsterfelijkheid van de ziel. Zij geloven dat wanneer een persoon sterft, deze verder leeft in de vorm van een ziel of een geest. Maar in de Bijbel lezen wij: ‘Toen vormde de HEERE God de mens uit het stof van de aardbodem en blies de levensadem in zijn neusgaten; zo werd de mens tot een levend wezen. ’ (Genesis 2:7) Hier staat dat de mensen levende zielen werden en niet dat ze een ziel ontvingen. Verderop lezen we wát zal gaan sterven: ‘De mens die zondigt, die zal sterven. ’ (Ezechiël 18:20).

In zekere zin klopt de stelling, want dat is inderdaad wat de Rooms Katholieke Kerk – en vrijwel alle andere christelijke kerken – leren. De bedoeling van de brochure is uiteraard aan te tonen dat deze leer onbijbels is. Maar ook nu zullen we zien dat de bijbeluitleg van de auteur van de brochure op zijn zachtst gezegd dubieus is. We kijken eerst naar teksten aangaande het aspect 'zielenslaap', en daarna naar de '(on)sterfelijkheid' van de ziel.

Zielenslaap

Waarom leert de Bijbel volgens de uitleg van de Zevendagsadventisten de sterfelijkheid van de ziel? Het grote argument is dat volgens de Bijbel de mens een ziel is, en geen ziel heeft (zie boven). Daartoe worden een aantal Bijbelplaatsen genoemd, die dat zouden bewijzen. De duidelijkste tekst die wordt opgevoerd is één uit Prediker.

De levenden weten tenminste, dat zij sterven moeten, maar de doden weten niets; zij hebben geen  loon meer te wachten, zelfs hun nagedachtenis is vergeten. (Prediker 9:5).

De passage 'de doden weten niets', zou aantonen dat er geen bewustzijn meer is, omdat er niets meer is dat nog leeft. De ziel 'slaapt', want het lichaam 'slaapt'. In hetzelfde boek Prediker vinden we echter ook andere teksten. Wat te denken van deze?

Wie bemerkt, dat de adem der mensenkinderen opstijgt naar boven en dat de adem der dieren neerdaalt naar beneden in de aarde? (Prediker 3:21)

Het is volgens Prediker blijkbaar van belang te wijzen op dit belangrijke verschil tussen mens en dier! Er is echter meer.

(…)(want de mens gaat naar zijn eeuwig huis en de rouwklagers gaan rond op de straat)
(Prediker 12:5)
en
En het stof wederkeert tot de aarde, zoals het geweest is, en de geest wederkeert tot God, die hem geschonken heeft. (Prediker 12:7)

Prediker wijst met het 'terugkeren van de levensgeest naar God' erop dat de dood niet het einde is van alles wat de mens ooit tot mens maakte. De mens gaat naar zijn 'eeuwig huis'. Dat kan niet het graf zijn, want dat zou voor eeuwig 'dood is dood' betekenen. Over wat dat eeuwige huis dan wel is, laat Prediker zich niet uit.

Beperken we ons eerst nog even tot het Oude Testament, dan zien we voldoende aanwijzingen dat er iets anders wordt geleerd dan de zielenslaap. Neem nu het voorbeeld van de bekende geschiedenis van Elia en weduwe van Sarefat, en dan het gedeelte over het sterven van de zoon van de weduwe. Elia neemt het lichaam mee naar een bovenkamer.

21 Toen strekte hij zich driemaal uit bovenop het kind en riep tot de Here en zeide: Here, mijn God! Laat toch de ziel van dit kind in hem terugkeren.
22 En de Here hoorde naar de stem van Elia, en de ziel van het kind keerde in hem terug, zodat het levend werd.
23 Toen nam Elia het kind, droeg het uit het bovenvertrek naar beneden in huis en gaf het aan zijn moeder. En Elia zeide: Zie, uw zoon leeft. (1 Koningen 17:21-23)

Wat bidt Elia? 'Laat toch de ziel van dit kind in hem terugkeren'. Elia geloofde dus dat het lichaam van het kind bij hem in de kamer was, maar dat zijn ziel (!) ergens anders was, want hij vroeg God om de ziel te laten terugkeren. En de ziel keerde terug, het (lichaam van het) kind werd weer levend.

Ook in het Nieuwe Testament zijn voldoende teksten te vinden die suggereren dat er bij het sterven van de mens (in dit geval de gelovige) meer aan de hand is dan alleen maar het graf.

6 Daarom zijn wij te allen tijde vol goede moed, ook al weten wij, dat wij, zolang wij in het lichaam ons verblijf hebben, ver van de Here in den vreemde zijn
7 - want wij wandelen in geloof, niet in aanschouwen -
8 maar wij zijn vol goede moed en wij begeren te meer ons verblijf in het lichaam te verlaten en bij de Here onze intrek te nemen.
9 Daarom stellen wij er een eer in, hetzij thuis, hetzij in den vreemde, Hem welgevallig te zijn. (2 Korinte 5:6-9)

Paulus schrijft over 'ons verblijf in het lichaam te verlaten en bij de Here onze intrek te nemen'. Ook hier de gedachte dat het lichaam achterblijft (in het graf), maar dat er ook 'iets' is dat naar de Here gaat. Bovendien zegt Paulus dat hij 'vol goede moed is'. Goede moed vanwege een lange periode van 'niet-bestaan'?

(On)sterfelijke ziel

Wat leert ons de brochure? De Bijbel zegt dat alleen Jezus onsterfelijkheid bezit. Alleen God is onsterfelijk. Mensen zijn sterfelijk, maar als Jezus weer terugkomt zullen zij op dat moment worden bekleed met onsterfelijkheid. De tekst die dat lijkt te ondersteunen is uit de eerste brief van Paulus aan Timotheüs.

15 (…) de Koning der koningen en de Here der Heren,
16 die alleen onsterfelijkheid heeft en een ontoegankelijk licht bewoont, die geen der mensen gezien heeft of zien kan. Hem zij eer en eeuwige kracht! Amen. (1 Timotheüs 6:15,16)

Paulus schrijft dat alleen de Here Jezus onsterfelijkheid heeft (bezit). Dat zou dan als consequentie hebben dat de menselijke ziel niet onsterfelijk is. Maar de Here Jezus kan wel degelijk onsterfelijkheid geven aan de ziel van de gelovigen. En vanaf dat moment zijn ze dan ook echt onsterfelijk. In Mattheüs vinden we in dit verband een interessante tekst.

En weest niet bevreesd voor hen, die wel het lichaam doden, maar de ziel niet kunnen doden; weest veeleer bevreesd voor Hem, die beide, ziel en lichaam, kan verderven in de hel. (Mattheus 10:28)

De Here Jezus bemoedigt hier de discipelen. Hij roept hen op Hem te belijden zonder bang te zijn. Ze hoeven niet bang te zijn voor vervolgers die weliswaar het lichaam kunnen doden, maar niet het leven, de ziel, de innerlijke mens. Aan het begin van deze blog lazen we het citaat uit de brochure: Hier staat dat de mensen levende zielen werden en niet dat ze een ziel ontvingen, dit naar aanleiding van Genesis 2:7. Als de vervolgers de discipelen zouden doden, dan zou volgens de brochure 'alles' dood zijn, want er is geen onderscheid tussen lichaam en ziel. De Here Jezus leert anders (en Hij, als Schepper, zal het toch wel weten?). Ook als het lichaam wordt gedood, blijft de ziel leven, want vervolgers kunnen de ziel niet doden. Opmerkelijk is verder wat de Here zegt over wie de discipelen wel moeten vrezen. Ze moeten eerbied hebben voor God. Waarom? God kan lichaam en ziel veroordelen tot de eeuwige straf. Je zou verwachten dat de Here Jezus zou zeggen dat God – in tegenstelling tot de vervolgers – lichaam en ziel wel kan doden. Maar dat zegt Hij niet. Er is geen sprake van eeuwige vernietiging, want de Here Jezus omschrijft de plaats van de eeuwige straf in niet mis te verstane bewoordingen.

a) de plaats van het eeuwige oordeel;
b) de plaats waar het vuur niet uitgeblust wordt;
c) de plaats waar hun worm (de wroeging) niet sterft;
d) de plaats waar wening is en knersing der tanden.


Conclusie

Noch de leer van de zielenslaap, noch die van de sterfelijkheid van de ziel, vindt grond in de Bijbel. Er is dus geen sprake van dat de Rooms Katholiek Kerk en de Protestantse Kerken de gelovigen op het verkeerde been zetten. Opnieuw gaat het dus om ongegronde kritiek. De brochure stelt veel, maar bewijst weinig.

maandag 20 februari 2017

Brochure: '2017 - 500 jaar na Luther' (2)


Leeswijzer

Cursief weergegeven tekst: citaten uit de besproken brochure
Tekst in kleine letters: citaten uit de Bijbel
Alle andere tekst: mijn toelichting

De vierde stelling in de brochure '2017 - 500 jaar na Luther!' luidt als volgt.

De katholieke kerk gelooft dat de maagd Maria naar de hemel werd opgenomen en dat onze gebeden eerst naar haar moeten worden gericht om Jezus en de Vader te kunnen bereiken.

Heeft Maria een bijzondere plaats? Ja, omdat zij de moeder van de Heer Jezus mocht zijn. Als de engel Gabriel zich aandient, zegt hij dat Maria genade gevonden heeft bij God (Lukas 1:30). Het vinden van genade houdt in dat er geen sprake is van verdienste van Maria, maar om de keuze van God. Verderop in dit gedeelte, als Gabriel is uitgesproken zegt Maria 'Zie, de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord.' Maria onderwerpt zich aan de wil van God.
Dan is er in de lofzang van Maria een passage die vaak misbruikt wordt om de Mariaverering te legitimeren.

46 En Maria zeide: Mijn ziel maakt groot de Here,
47 en mijn geest heeft zich verblijd over God, mijn Heiland,
48 omdat Hij heeft omgezien naar de lage staat zijner dienstmaagd. Want zie, van nu aan zullen mij zalig prijzen alle geslachten,
49 omdat grote dingen aan mij gedaan heeft de Machtige. (Lukas 1:46-49)

De gezindheid van Maria die in deze woorden zichtbaar wordt, toont ons dat Maria gegruwd zou hebben van de gedachte dat ze later zelfs 'Koningin des Hemels' zou worden genoemd. In de Studiebijbel (CVB) wordt bij deze passage heel kernachtig geformuleerd waar het op staat.
'Maria verdient geen lof om wie zij zelf is of om iets wat zij gepresteerd heeft, maar om wat God in haar leven heeft gedaan: door genade is zij de moeder van de Messias geworden.'
Als we in deze constatering enkele woorden vervangen, zien we duidelijk het absurde van de Mariaverering.
'De gelovige verdient geen lof om wie hij zelf is of om iets wat hij gepresteerd heeft, maar om wat God in zijn leven heeft gedaan: door genade is hij een kind van God geworden.'
Stel je voor dat elke gelovige als Maria 'de hemel in geprezen' zou worden. Het is allemaal zo tegengesteld aan het evangelie, het is om treurig van te worden.
In het slot van Johannes 3 is Johannes de Doper aan het woord. Ook zo'n belangrijk persoon in de heilsgeschiedenis. Als hem zou worden gevraagd hoe hij het zou vinden naast de Here Jezus ook verering te ontvangen, zou hij je stomverbaasd hebben aangekeken en hebben gedonderd: Hij moet wassen, ik moet minder worden. (Johannes 3:30)

Niet alleen de Schrift, ook de traditie

De Bijbel is dus volstrekt duidelijk over dit onderwerp. Het probleem met de Rooms Katholieke Kerk is dan ook gelegen in de schriftopvatting. Juist in dit verband verscheen er in het ND van zaterdag 17-02-2017 een interview met Antoine Bodar. Het ging - hoe kan het ook anders? - over de verschillen en overeenkomsten tussen de Katholieke Kerk en het protestantisme. Hieronder twee vragen van de interviewer over met daarbij het antwoord van Bodar.

Vraag: In welke elementen van het protestantisme kunt u zich vinden?
Bodar: ‘De ontwikkeling van het eigen geweten. Dat wordt bij ons minder benadrukt. En de Bijbel­studie, het verdiepen in Gods Woord. Dat alles genade is, dat we het geloof van Christus hebben gekregen. Met andere woorden: dat het om Christus gaat. Dus solus Christus is geen probleem. Sola gratia is geen probleem. Sola fide is geen probleem. Sola scriptura, dát is een probleem.’

Vraag: Omdat naast de Schrift ook de traditie centraal staat?
Bodar: ‘Die speelt bij ons een belangrijke rol. Christus heeft zich geopenbaard. Die openbaring is gedeeltelijk in de Schrift neergekomen, maar dat betekent niet dat Christus zich beperkt tot het papier. We denken er nog steeds op door. We vinden zelfs dat de Schrift ontsproten is aan de toen nog jonge traditie van de kerk.

Als je dus stelt dat de Mariaverering geen grond vindt in de Bijbel, heeft dat voor de katholiek geen bewijskracht, en wijst hij op de traditie. Een gesprek over het al dan niet juist zijn van bepaalde leerstellingen wordt daarmee feitelijk onmogelijk. Je staat niet meer op een gemeenschappelijk basis, en dus verliezen argumenten hun overtuigingskracht.

Bidden tot - voorbede door

Talloos zijn de voorbeelden in poëzie en muziek waarin tot de maagd Maria wordt gebeden. Men vraagt haar dan om bijstand, of men roept haar op tot voorbede. Zo neemt zij een extra plaats in tussen de gelovige op aarde en de Vader en de Zoon in de hemel.

Een bekend voorbeeld is het 'Memorare' van de zeventiende eeuwse monnik Claude Bernard

Gedenk, o allermildste Maagd Maria,
dat het nog nooit gehoord is,
dat iemand, die tot U zijn toevlucht nam,
die om Uw hulp kwam smeken
en om Uw bijstand vroeg,
door U in de steek werd gelaten.
Gesterkt door dat vertrouwen kom ik tot U,
o Maagd der Maagden
en kniel hier voor U in mijn armzaligheid en zonde.
O Moeder van het woord, versmaad mijn woorden niet,
maar luister genadig en wil mij verhoren.
Amen

Maar een gelovige heeft het helemaal niet nodig om Maria te vragen tussenbeide te komen. Elk kind van God mag rechtstreeks in gebed voor de troon van God verschijnen. De Bijbel getuigt daar op vele plaatsen van.

19 Daar wij dan, broeders, volle vrijmoedigheid bezitten om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus,
20 langs de nieuwe en levende weg, die Hij ons ingewijd heeft, door het voorhangsel, dat is, zijn vlees,
21 en wij een grote priester over het huis Gods hebben,
22 laten wij toetreden met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs, met een hart, dat door besprenging gezuiverd is van besef van kwaad, en met een lichaam, dat gewassen is met zuiver water. (Hebreeën 10:19-22)

Hier wordt de gelovige opgewekt zelf rechtstreeks het hemelse heiligdom te betreden. Dat is mogelijk geworden dankzij het bloed van Jezus. De Here Jezus zelf is ook volstrekt duidelijk. Gelovigen mogen zich in gebed tot de Vader wenden.

23 (…) Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, als gij de Vader om iets bidt, zal Hij het u geven in mijn naam.
24 Tot nog toe hebt gij niet om iets gebeden in mijn naam; bidt en gij zult ontvangen, opdat uw blijdschap vervuld zij. (Johannes 16:23-23)

Ook hier is er geen spoor van een omweg, van een extra persoon tussen de gelovige en God. Het kind van God mag op elk moment in gebed zijn hemelse Vader aanroepen.

Maria: 'koningin des hemels'

De titel 'koningin des hemels' is niet nieuw. Al in het Oude Testament komen we berichten tegen die getuigen van een dienst aan deze koningin.

17 Maar wij zullen voorzeker doen alles wat wij uitgesproken hebben, en offers ontsteken voor de koningin des hemels en haar plengoffers brengen, zoals wij gedaan hebben, wij en onze vaderen, onze koningen en onze vorsten, in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem; toen hadden wij goed ons brood en waren gelukkig en zagen geen rampspoed.
18 Maar sedert wij zijn opgehouden voor de koningin des hemels offers te ontsteken en haar plengoffers te brengen, hebben wij aan alles gebrek gehad en zijn wij door het zwaard en de honger omgekomen.
19 Wanneer wij voor de koningin des hemels offers ontsteken en haar plengoffers brengen, is het dan buiten onze mannen om, dat wij voor haar offerkoeken naar haar beeld maken en haar plengoffers brengen? (Jeremia 44:18-19)

Er zijn diverse '(af)godinnen' die in aanmerking komen voor deze titel. Het bekendst in de Bijbel is Astarte, maar in andere bronnen komen ook de namen Asjera en Anat voor.
Ook in het Nieuwe Testament komen we een godin tegen. In Handelingen 19 heeft Paulus te maken met de cultus rond Artemis. Hoewel daar de titel 'koningin des hemels' ontbreekt, is het wel duidelijk dat het vereren van een vrouwelijke godheid een bekend en veelvoorkomend verschijnsel was. Er zijn aanwijzingen dat de goddelijke verering van Maria een 'verchristelijking' is van de verering van de koningin des hemels. Hoe dit ook zij, de verering van Maria heeft behalve onbijbelse, ook heidense trekjes.
Zoals eerder al vermeld komt dit onderwerp in de kunst veelvuldig voor. Poëzie, muziek, maar ook de schilderkunst kent talloze voorbeelden. Zie als voorbeeld de foto van een schilderij van Enguerrand Quarton, getiteld de kroning van Maria in de hemel. Wie het schilderij goed bekijkt heeft geen verdere toelichting nodig. Huiveringwekkend.

(tik/tap om te vergroten)

De ontknoping

Dit was een heel verhaal om de achtergrond van mijn bezwaar tegen stelling 4 uit het boekje '2017 – 500 jaar na Luther!' te presenteren. In de brochure wordt duidelijk stelling genomen tegen de Mariaverering. So far so good, daar kunnen we alleen maar mee instemmen. Een andere zaak is echter de beschuldiging die kwaadwilligheid van de Rooms Katholieke Kerk in deze zaak moet bewijzen. Dit staat in de brochure:

De Bijbel zegt duidelijk: ‘Want drie zijn er die getuigen in de hemel: de Vader, het Woord en de Heilige Geest; en deze drie zijn één.’ (1 Johannes 5:7) Wij vinden deze tekst in de King James Bijbel en in de grondtekst van de Textus Receptus, maar niet in de katholieke Bijbels en hun grondtekst Codex Vaticanus. De katholieke kerk suggereert dat er 4 speciale, heilige mensen zijn in de hemel, Maria is de vierde en degene tot wie ze bidden.

Men stelt dus dat de Rooms Katholieke Kerk een deel van een tekst heeft weggelaten om de Mariaverering te 'beschermen'. De redenering is duidelijk. Als er drie in de hemel zijn – de Vader, het Woord en de Heilige Geest – dan is er geen ruimte voor Maria. Deze tekst zou dan wel in de Textus Receptus staan (zeg maar: de grondtekst), maar in de Roomse vertalingen zijn weggelaten. De vraag is nu of dat zo is.

Volgens de Studiebijbel (CVB) behoren de woorden 'in de hemel' (vers 7) tot en met 'op de aarde' (vers 8) niet tot de Griekse tekst van het Nieuwe Testament, maar stonden wel in de Latijnse kerkvertaling (de zgn. Vulgaat). Onder kerkelijke druk heeft Erasmus in 1522 deze woorden, het zogenaamde Comma Johanneum, toegevoegd (!) aan de door hem uitgegeven versie van de Textus Receptus.
Als de beschuldiging in de brochure juist zou zijn, dan valt het niet te begrijpen waarom de Rooms Katholieke Kerk Erasmus min of meer heeft gedwongen de tekst juist wel op te nemen. Dat zou immers nergens op slaan, want het doel – ruimte geven aan Maria – zou dan juist worden tegengewerkt.
De waarheid is dus dat de passage 'in de hemel' (vers 7) tot en met 'op de aarde' (vers 8) een zogenaamd insluipsel is. De Studiebijbel: Deze woorden zijn mogelijk afkomstig uit een oud (Latijns) commentaar, dat benadrukte dat, naast het drieënig getuigenis van Geest, water en bloed, er ook een hemelse Drieëenheid is, nl. Vader, Zoon en Heilige Geest.

De meeste vertalingen die 'in de hemel' (vers 7) tot en met 'op de aarde' (vers 8) wel hebben gaan terug op de Textus Receptus. Vertalingen die zich op andere (oudere, zoals 'The Greek Nieuw Testament' van K. Aland e.a.) grondteksten baseren, hebben 'in de hemel' (vers 7) tot en met 'op de aarde' (vers 8) juist niet.
Daarbij is het zeer opvallend dat de Willibrordvertaling (Rooms Katholiek) niet 'in de hemel' (vers 7) tot en met 'op de aarde' (vers 8) heeft.
De Rooms Katholieke Kerk heeft hier dus niet te kwader trouw gehandeld, zoals de brochure suggereert.

De schrijver(s) van de brochure proberen op deze manier een goede zaak (stellingnemen tegen de Mariaverering) met een verkeerde voorstelling van zaken te ondersteunen.

Dit doet sterk denken aan een ander verschijnsel. We horen regelmatig van 'vele genezingen' tijdens evangelisatiecampagnes in verre landen. Bij onderzoek blijken die genezingen in het geheel niet hebben plaatsgevonden. Ook worden persoonlijke getuigenissen gelardeerd met allerlei wonderlijke gebeurtenissen die alleen aan de spreker zelf bekend zijn. Men probeert op deze manier de zaken op een laakbare wijze te ondersteunen. Christenen zouden dat niet moeten doen.