Inhoudsopgave

dinsdag 30 mei 2017

Israël (1)

Israël: Gods oogappel

Elke gelovige weet dat Israël een speciale plaats in Gods hart heeft. Ik hoop en bid dat Israël ook in het hart van elke gelovige een speciale plaats heeft. We weten echter dat dit lang niet altijd het geval is. Daar kunnen verschillende redenen voor zijn. Ik noem verkeerde leer, onverschilligheid en antisemitisme. Ja, ook onder gelovigen komt antisemitisme voor.

Israël: apart gezet

De houding van een gemeente als geheel of van elke individuele gelovige ten opzichte van Israël heeft grote gevolgen. Het verheldert of verduistert het zicht op Gods heilsplannen. De Here Jezus vergiste Zich echt niet toen Hij de Kananese vrouw haar plaats wees.

Ik ben slechts gezonden tot de verloren schapen van het huis Israëls. (Mattheus 15:24)

Israël neemt dus een bijzondere plaats in.

Israël: bepalend voor de wereldgeschiedenis

Petrus wist na de uitstorting van de Heilige Geest heel goed waarover hij tegen de bewoners van Jeruzalem sprak.

19 Komt dan tot berouw en bekering, opdat uw zonden uitgedelgd worden, opdat er tijden
van verademing mogen komen van het aangezicht des Heren,
20 en Hij de Christus, die voor u tevoren bestemd was, Jezus, zende;
21 Hem moest de hemel opnemen tot de tijden van ook van de wederoprichting aller dingen,
waarvan God gesproken heeft bij monde van zijn heilige profeten, van oudsher.
(Handelingen 3:19-21)

Deze woorden liegen er niet om. Berouw en bekering onder Israël zou grote gevolgen hebben. De Here Jezus zou terugkeren (en niet pas na 2000 jaar(!)). Gods zegen zou zichtbaar worden (tijden van verademing). Herstel van het koningschap voor Israël zou volgen. De schepping zou de glorie krijgen die hij hoort te hebben.

Israël: een val met consequentie

Maar Israël heeft nog geen berouw getoond, en is nog niet tot bekering gekomen. Paulus schrijft over deze dingen in de Romeinen 9-11.

Door hun val is het heil tot de heidenen gekomen, om hen tot naijver op te wekken.
(Romeinen 11:11)

Bijzonder. De val van Israel leidt niet tot een 'jammer dan', maar tot een verrassende wending in de loop der dingen. Nu Israël afwijzend blijft tegenover de Here Jezus wendt God Zich met het evangelie tot de heidenen, tot 'ons' dus. We zien deze gang van zaken heel duidelijk in gebeurtenissen beschreven in het boek Handelingen.

45 Doch toen de Joden de scharen zagen, werden zij vervuld met nijd en spraken lasterende, tegen hetgeen door Paulus gezegd werd.
46 Maar Paulus en Barnabas zeiden vrijmoedig: Het was nodig, dat eerst tot u het woord Gods werd gesproken, doch nu gij het verstoot en u het eeuwige leven niet waardig keurt, zie, nu wenden wij ons tot de heidenen.
47 Want zo heeft ons de Here geboden: Ik heb u gesteld tot een licht der heidenen, opdat gij tot heil zoudt zijn tot aan het uiterste der aarde. (Handeling 13:45-47)

Maar toen dezen zich verzetten en lasterden, schudde hij zijn kleren uit en zeide tot hen: Uw bloed zij op uw hoofd; ik ben er rein van, voortaan zal ik mij tot de heidenen wenden. (Handeling 18:6)

25 en zonder het eens geworden te zijn, gingen zij uiteen, nadat Paulus dit ene woord gesproken had: Terecht heeft de Heilige Geest door de profeet Jesaja tot uw vaderen gesproken,
26 zeggende: Ga heen tot dit volk en zeg: Met het gehoor zult gij horen en gij zult het geenszins verstaan, en ziende zult gij zien en gij zult het geenszins opmerken;
27 want het hart van dit volk is vet geworden, en hun oren zijn hardhorend geworden, en hun ogen hebben zij toegesloten, opdat zij niet zien met hun ogen en met hun oren niet horen en met hun hart niet verstaan en zij zich bekeren, en Ik hen zou genezen.
28 Het zij u dan bekend, dat dit heil Gods aan de heidenen gezonden is; die zullen dan ook horen! (Handelingen 28:25-28)

Paulus schreef ook dat de val van Israël diende om hen jaloers te maken. Christenen hebben in hun hoogmoed daar dikwijls van gemaakt dat zij Israël jaloers zouden moeten maken. Nu, vergeet het maar. 2000 jaar kerkgeschiedenis laat zien dat de kerk vooral een hinderpaal is geweest. Nee, het is God die Israël jaloers wil maken. En die jaloezie zal er toe leiden dat Israël zijn Messias aanvaardt.

Israël en Gods plannen

Mozes zegt in Deuteronomium iets over de plannen van God met Israël. Het was echter geen vrijblijvende aangelegenheid. God stelde voorwaarden. De geboden die God Israël had gegeven moesten worden gehouden.

De Here zal u stellen tot een hoofd en niet tot een staart, gij zult enkel opgaan en niet neergaan, wanneer gij luistert naar de geboden van de Here, uw God, die ik u heden opleg om die naarstig te onderhouden, (Deuteronomium 28:13)

Helaas laat het Oude Testament zien dat Israël overtrad. Het diende andere goden, en het leven van alle dag werd gekenmerkt door maatschappelijk onrecht. God sprak door profeten Israël regelmatig aan op zijn verantwoordelijkheid.

19 (…) hun zilver en goud zullen hen niet kunnen redden op de dag van de verbolgenheid des Heren; (…) want het is hun een struikelblok tot ongerechtigheid geweest.
20 (…) daarvan hebben zij hun gruwelijke beelden, hun afschuwelijkheden, gemaakt; (…)
(Ezechiël 7:19-20)

Hij heeft u bekendgemaakt, o mens, wat goed is en wat de Here van u vraagt: niet anders dan recht te doen en getrouwheid lief te hebben, en ootmoedig te wandelen met uw God. (Micha 6:8)

16 Dit moet gij doen: spreekt waarheid onder elkander, oefent eerlijke en heilzame rechtspraak uit in uw poorten;
17 Beraamt in uw hart elkanders onheil niet, en hebt geen valse eed lief, want dit alles haat Ik, luidt het woord des Heren. (Zacharia 8:16-17)

Een zuivere weegschaal, zuivere gewichten, een zuivere efa en een zuivere hin zult gij gebruiken (…) (Leviticus 19:36)

En toch, als Paulus op andere plaatsen schrijft over de plaats van Israël is het altijd

(…) eerst de Jood, maar ook de Griek. (Romeinen 1:16)

Israël en gelovigen in onze tijd

Al deze woorden nopen ons tot bescheidenheid en dankbaarheid. Bescheidenheid in onze houding ten opzichte van Israël en dankbaarheid ten opzichte van God.

In Romeinen 9:4-5 vinden een opsomming van zeven voorrechten van het volk Israël.

Zij zijn Israëlieten, hunner is de aanneming tot zonen (1) en de heerlijkheid (2) en de
verbonden (3) en de wetgeving en de eredienst (4) en de beloften (5), hunner zijn de
vaderen (6) en uit hen is, wat het vlees betreft, de Christus (7), die is boven alles, God, te
prijzen tot in eeuwigheid! (Romeinen 9:4-5)

Al deze voorrechten zijn nog steeds van kracht. Maar er is ook een andere kant. God ziet vanuit de hemel hoe ónze houding is ten opzichte van Israël. Aan onze opstelling, hetzij positief, hetzij negatief, verbindt Hij consequenties. Dat begint al bij de beloften gegeven aan Abram.

Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt zal Ik vervloeken, en met u zullen alle
geslachten des aardbodems gezegend worden. (Genesis 12:3)

God laat iets vergelijkbaars uit de mond van Bileam klinken.

Hij kromt zich, en legt zich neder als een leeuw, en als een leeuwin; wie zal hem doen
opstaan? Gezegend, die u zegenen; en die u vervloeken, vervloekt! (Numeri 24:9)

In de Psalmen worden we opgeroepen tot voorbede.

Bidt Jeruzalem vrede toe: mogen wie u liefhebben, rust genieten; Vrede zij binnen uw muur,
rust in uw burchten. (Ps122:6-7)

Ziet u het? Onze houding ten opzichte van Israël wekt Gods gunst of Gods oordeel. En dat geldt ook vandaag de dag nog. Maar opkomen voor Israël valt lang niet altijd mee. U hebt vast wel gemerkt dat het de laatste tijd moeilijker wordt om in gezelschap te vertellen dat Israël Gods volk is, en te getuigen van het feit dat u achter Israël staat. Welnu, God merkt dat op. Het was vaak al moeilijk te spreken over en te getuigen van de Here Jezus en Zijn werk aan het kruis, nu komt Israël daar bij. We worden steeds meer gedwongen kleur te bekennen. God bemoedigt ons door er zegen aan te verbinden!

Israël en betrokken gelovigen

Ik aarzel niet om een woord uit Maleachi hier op toe te passen. God daagt daar als het ware Israël uit.

Breng de gehele tiende naar de voorraadkamer, opdat er spijze zij in mijn huis; beproeft Mij
toch daarmede, zegt de Here der heerscharen, of Ik dan niet voor u de vensters van de hemel
zal openen en zegen in overvloed over u uitgieten. (Maleachi 3:10)

Wij - als gemeente en als individuele gelovigen - worden door God op vergelijkbare wijze uitgedaagd.

Sta achter Israël, zegen Israël, spreek eerlijk en positief over Israël, bid voor Israël en steun Israël in materieel opzicht. Beproef God daarmee en zie hoe God Zijn beloften uit Genesis 12:3, Numeri 24:9 en Psalm 122:6-7 gaat waarmaken.

woensdag 24 mei 2017

Gestorven en dan?

Onder mensen heerst een merkwaardig soort lichtzinnigheid. Als het gesprek komt op het leven na de dood, over hemel en hel, dan is de reactie heel vaak 'met mij zit het wel goed'. Men benadrukt dan dat men geen misdadiger is en dat men altijd 'iedereen het zijne heeft gegeven'. Als de balans van hun leven zou worden opgemaakt, zou die naar de positieve kant uitslaan. En natuurlijk komen ze in de hemel. Dat er andere zaken meespelen komt niet in hen op. Of willen ze het liever niet weten? Hoe het ook zij, het is een vreemde houding, die van een zekere hoogmoed getuigt.
Want, hoezo komen ze in de hemel? Wie bepaalt dat? Het is Gods hemel. Het is niet de mens die uitmaakt wie in de hemel komt, maar God. En ja, iedereen is welkom, maar wel op Gods voorwaarden. Wat zijn die voorwaarden?

Wedergeboorte

De natuurlijke mens is niet geschikt om tot het eeuwige leven in te gaan. Hij dient een radicale, fundamentele verandering te ondergaan: wedergeboorte, dat is het ontvangen 'van Boven' van nieuw leven, van een Goddelijke natuur.

De wedergeboorte vindt plaats als
  1. Je weet dat je gezondigd hebt en je hart niet deugt. Je ziet je hopeloze toestand voor God in.
  2. Je God hebt verteld dat je een zondaar bent en vraagt om gered te worden.
  3. Je gelooft en belijdt dat Jezus Christus voor jou aan het kruis is gestorven.

Bekering en geloof zijn dus nodig. Of zoals Paulus het uitdrukte:

Stel uw vertrouwen op de Here Jezus en u zult behouden worden, u en uw huis”. (Handelingen 16:31)

Deze drie punten zeggen niets over het moment waarop wedergeboorte plaatsvindt. Zo kan iemand tijdens het horen van een prediking, of het lezen van een Bijbelgedeelte spontaan tot geloof komen, en wedergeboorte ontvangen. Anderen groeien op in een christelijk gezin, onderschrijven van harte de drie punten, maar weten niet wanneer zij tot levend geloof kwamen. Van echt belang is dit niet, zolang de drie genoemde punten maar werkelijkheid zijn. En bij twijfel is het verstandig alsnog in gebed tot God te gaan. Hij stuurt de oprechte gelovige echt niet weg.
En laten we duidelijk vaststellen: dit moet gebeuren. De Bijbel laat er geen twijfel over bestaan. Zonder wedergeboorte, zonder geloof geen toegang tot het Koninkrijk Gods, tot het eeuwige leven.

Verwonder u niet, dat Ik u gezegd heb: Gijlieden moet wederom geboren worden.(Johannes 3:7)

Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe. (Johannes 3:16)

Koninkrijk

Er zou enige verwarring kunnen ontstaan vanwege het gebruik van de term 'Koninkrijk van God'. Het Koninkrijk van God is niet hetzelfde als de hemel, en al evenmin gelijk aan het eeuwige leven. Er zijn overeenkomsten en verschillen. De overeenkomsten die voor dit artikel van belang zijn liggen in de noodzaak van wedergeboorte. Iemand die niet is wedergeboren kan het Koninkrijk van God niet binnengaan, heeft niet het eeuwige leven en geen toegang tot de hemel.

Goed genoeg?

Nog even over dat gesprek aan het begin. Stel, een christen getuigt van het feit 'behouden te zijn', en dus zeker weet na het sterven opgenomen te worden in de hemel. Helaas, hoon is zijn deel. Hij krijgt voor de voeten geworpen dat 'hij zich nog al wat verbeeldt, dat hij zich zeker beter voelt dan een ander'. Ziet u de karikatuur? Zelf vindt men zich goed genoeg om in de hemel te komen, maar als een ander daarvan getuigt…
Het zal waarschijnlijk niet veel uitmaken, maar het past een christen in zo'n geval duidelijk te maken dat hij zich niet beter acht, maar heeft geleerd dat hij juist niet goed genoeg is. Het is de genade in Christus die hem toegang verleent. Het volgende Bijbelse voorbeeld laat aan duidelijkheid niets te wensen over.

39 Een der gehangen misdadigers lasterde Hem: Zijt Gij niet de Christus? Red Uzelf en ons!
40 Maar de andere antwoordde en zeide, hem bestraffende: Vreest zelfs gij God niet, nu gij hetzelfde
vonnis ontvangen hebt?
41 En wij terecht, want wij ontvangen vergelding, naar wat wij gedaan hebben, maar deze heeft
niets onbehoorlijks gedaan.
42 En hij zeide: Jezus, gedenk mijner, wanneer Gij in uw Koninkrijk komt.
43 En Hij zeide tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, heden zult gij met Mij in het paradijs zijn.
(Lucas 23:39-43)

Christus verzekert de moordenaar aan het kruis de toegang tot het eeuwige leven. Waarom? Omdat hij toegeeft slecht te zijn en alleen maar kan hopen op genade. En dat geldt voor elke gelovige! Ik ben christen omdat ik Christus geloof als Hij zegt dat ik slecht ben. Maar ik geloof Hem ook als Hij zegt dat ik behouden ben op grond van genade.

donderdag 18 mei 2017

Hoe oud is de aarde? (slot)

Een mooi voorbeeld van hoe het denken in evolutietermen belangrijke zaken kan beïnvloeden vinden we in de Bijbel. We gaan daarom een kijkje nemen in het boek Job, waarschijnlijk het oudste Bijbelboek.

Dieren in het boek Job

De datering van de gebeurtenissen in het boek Job is een lastige. Er zijn aanwijzingen die op een hoge ouderdom wijzen. Een aantal teksten geeft een indruk van een wereld die nog bezig is tot rust te komen na de zondvloed. Zo spreekt Job van zeer grote temperatuurverschillen.

15 (…) een beek, als de waterloop van beken die wegvloeien;
16 Die troebel zijn van het ijs, terwijl de sneeuw erin wegsmelt;
17 Ten tijde dat zij gaan afnemen, verdwijnen zij geheel; wanneer het heet wordt, drogen zij uit in hun bedding. (Job 6:15-17)

Hoofdstuk 7 schetst een beeld van een zeer onrustige aardkorst. Tsunami's komen regelmatig voor, zelfs zo vaak dat men een waarschuwingssysteem heeft opgezet.

12 Ben ik de zee of een zeemonster, dat Gij een wacht tegen mij zet? (Job 7:12)

Aardbevingen lijken ook 'gewoon', zo gewoon zelfs dat Job die informatie in vergelijkingen gebruikt.

5 Hij verplaatst de bergen zonder dat men het merkt, Hij keert ze om in zijn toorn.
6 Hij doet de aarde van haar plaats wankelen, (…) (Job 9:5-6)

18 Gelijk een ineenstortende berg in gruis valt, en een rots gerukt wordt uit haar plaats, (Job 14:18)

Hoofdstuk 1 schetst ons een man die het gemaakt heeft in het leven. De rijkste man in het Midden-Oosten! Onder zijn zegeningen vielen ook zijn kinderen: zeven zonen en drie dochters. Aan het eind van het boek wordt meegedeeld dat Job nog 140 jaar leefde na de gebeurtenissen rond zijn ziekte en genezing. Als we uitgaan van een leeftijd van 100 jaar aan het begin van het boek, dan is Job uiteindelijk 240 jaar oud geworden.

16 Daarna leefde Job nog honderd veertig jaar; hij zag zijn kinderen en kindskinderen, vier geslachten.
17 En Job stierf oud en van het leven verzadigd. (Job 42:16-17)

Een dergelijke leeftijd past bij de getallen die we Genesis 11 tegenkomen ten tijde van het leven van Peleg. Peleg bijvoorbeeld werd 239 jaar!

18 Toen Peleg dertig jaar geleefd had, verwekte hij Reu.
19 En Peleg leefde, nadat hij Reu verwekt had, tweehonderd negen jaar, en hij verwekte zonen en dochteren. (Genesis 11:18-19)

Behemot en leviatan

In de laatste hoofdstukken van Job komen we twee dieren tegen die al eeuwen lang voor discussie zorgen. De behemot en de leviatan. De NBG vertaalt de namen van deze dieren met nijlpaard en krokodil. Andere vertalingen laten de namen onvertaald. Het eerste dier dat door God beschreven wordt, is de behemot.

10 Zie toch de BEHEMOT (het nijlpaard), dat Ik heb gemaakt, evenals u. Het eet gras zoals het rund.
11 Zie toch de kracht in zijn lendenen, de sterkte in zijn buikspieren!
12 Hij spant zijn staart als een ceder, de spieren zijner dijen zijn samengestrengeld.
13 Zijn beenderen zijn buizen van koper, zijn knoken gelijk staven van ijzer.
14 Hij is de eerste van Gods werken, het schepsel, waaraan Hij zijn zwaard gaf;
15 Ja, de bergen leveren hem hun opbrengst, waar alle dieren des velds spelen.
16 Onder de lotus legt hij zich neder, in de schuilplaats van riet en moeras.
17 Lotusplanten beschutten hem met haar schaduw, de wilgen der beek omgeven hem.
18 Zie, al is de stroom nog zo sterk, hij deinst niet terug; hij voelt zich gerust, al bruist een Jordaan tegen zijn muil.
19 Durft men hem van voren vastgrijpen, een strik door zijn neus halen? (Job 40:10-19)


Oordeel zelf. Wordt hier een nijlpaard beschreven? Een staart als een ceder? Een dier dat zich zowel in de bergen als in het water thuis voelt?

Behemot?


Vervolgens vestigt God Jobs aandacht de leviatan. Een monster zonder weerga.

20 Kunt gij de LEVIATAN (de krokodil) met een vishaak optrekken, met een touw zijn tong neerdrukken?
21 Kunt gij een bieze door zijn neus halen, met een haak zijn kaak doorboren?
22 Zal hij veel smeekbeden tot u richten, vriendelijke woorden tot u spreken?
23 Zal hij een overeenkomst met u sluiten, zult gij hem voor altoos tot knecht nemen?
24 Kunt gij met hem als met een vogeltje spelen en hem vastbinden voor uw meisjes?
25 Zullen de gezellen hem als koopwaar verhandelen, hem verdelen onder kooplieden?
26 Kunt gij zijn huid met spiesen vol steken, zijn kop met een visharpoen?
27 Leg eens uw hand op hem, denk aan de strijd; gij moet het maar niet weer doen.
28 Zie, de hoop hem te vermeesteren komt bedrogen uit; reeds bij zijn aanblik wordt men neergeveld.
1 Niemand is zo vermetel, dat hij hem zou durven tergen; wie is het dan, die voor Mij kan standhouden?
2 Wie zou Mij tegemoet treden, die Ik ongedeerd zou laten? Wat onder de ganse hemel is, dat behoort Mij toe.
3 Ik wil niet zwijgen over zijn leden, noch over zijn geweldige kracht en kunstige lichaamsbouw.
4 Wie heeft de zoom van zijn kleed opgelicht? Wie dringt door zijn dubbel pantser heen?
5 Wie heeft de deuren van zijn muil geopend? Rondom zijn tanden is verschrikking.
6 Zijn rug bestaat uit beschermende schilden, aaneengesloten als een nauwpassend zegel.
7 Zo dicht raakt het ene het andere, dat de wind er niet tussen kan komen;
8 Het ene kleeft aan het andere, zij grijpen onafscheidelijk ineen.
9 Zijn niezen doet licht schitteren, zijn ogen zijn als de wimpers van de dageraad.
10 Uit zijn muil komen fakkels, vuurvonken schieten eruit.
11 Uit zijn neusgaten komt een damp als uit een kokende en dampende pot.
12 Zijn adem zet kolen in brand, en een vlam stijgt op uit zijn muil.
13 In zijn nek zetelt kracht, ontsteltenis springt voor hem uit.
14 Zijn vleeskwabben sluiten vast aaneen, onbeweeglijk aan hem vastgegoten.
15 Zijn binnenste is hard als steen, hard als een onderste molensteen.
16 Verheft hij zich, dan worden machtigen bevreesd, zij geraken buiten zichzelf van ontzetting.
17 Treft iemand hem met een zwaard, dan houdt het geen stand, evenmin als lans, werphout of pijl.
18 IJzer acht hij als stro, koper als vermolmd hout.
19 Geen pijl jaagt hem op de vlucht, slingerstenen worden voor hem veranderd in stoppelen.
20 Als een stoppel acht hij een knots en hij lacht om het suizen van de lans.
21 Aan zijn onderzijde zitten puntige scherven, hij breidt een dorsslede uit op het slijk.
22 Hij doet de diepte koken als een pot, maakt de zee aan een zalfketel gelijk.
23 Achter hem is een lichtend spoor, zodat men de waterdiepte voor zilverhaar zou houden.
24 Zijns gelijke is er op aarde niet, een schepsel zonder vrees.
25 Op al wat hoog is, ziet hij neer, hij is koning over alle trotse dieren. (Job 40:20 – 41:25)

En, werd ons hier een krokodil voor ogen geschilderd? Een krokodil die neerziet op alles wat hoog is? Misschien komt het vuurspuwende ongeloofwaardig over? Wat dacht u van de bombardeerkever? Dat dier speelt ook met vuur…

Leviatan?

Zowel de behemot als de leviatan doen denken aan reusachtige dinosaurussen, maar pas op, dat mogen we eigenlijk niet hardop zeggen. De wetenschap heeft immers bewezen dat de dinosaurussen al 65 miljoen jaar geleden zijn uitgestorven. Dus, als God al beschrijvingen heeft gegeven van dinosaurussen, veel zal Job er niet van begrepen hebben. Maar stel, God spreekt inderdaad over dieren die al miljoenen jaren geleden zijn uitgestorven en aan Job niet bekend zijn. Er doen zich dan een paar problemen voor.
  1. God onderwijst Job over de grootsheid van de schepping. Hij beschrijft verschillende dieren (leeuw, raaf, gems, ezel, woudos, struisvogel, paard, valk, gier) die Job kent. Waarom schakelt God dan ineens over op twee dieren die Job niet kent? Job zal aan de beschrijving wel hebben begrepen dat het om reusachtige dieren gaat, maar het effect (onder de indruk raken) zal minimaal zijn geweest.
  2. Sommige uitleggers 'lossen het probleem op' door te stellen dat het om mythische dieren gaat die ook in verhalen van omliggende volken bekend waren. Job zal dan zeker hebben geweten wat God bedoelde. Maar is het eigenlijk niet een zwaktebod, dat God mythische dieren opvoert om de grootsheid van de schepping mee te illustreren?
  3. Deze twee hoofdstukken zijn niet de enige bronnen die lijken te wijzen op het pas recent uitsterven van de laatste dinosaurussen. Hieronder meer daarover. Maar opnieuw: pas op. Aandacht besteden aan dergelijke bronnen is vloeken in de wetenschappelijke kerk. Wie zich daar mee inlaat bedrijft 'grenswetenschap', gelooft waarschijnlijk ook in sprookjes en kan in ieder geval niet serieus worden genomen.

Zijn dinosaurussen tientallen miljoenen jaren uitgestorven?

  1. Zuid-Amerikaanse kunstvoorwerpen met dino's

Het betreft hier onder andere gegraveerde stenen (Ica-stenen uit Peru) en diverse beeldjes uit Mexico. De voorstellingen laten duidelijk herkenbare dinosaurussen zien. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat de makers gelijktijdig met dinosaurussen hebben geleefd. Het valt anders niet te verklaren hoe ze aan hun informatie kwamen. Of is het allemaal bedrog? Definitieve bewijzen pro of contra zijn er (nog) niet.

  1. Kerkhoven

Over de gehele wereld worden zogenaamde dinosauruskerkhoven gevonden. In zo'n kerkhof liggen tientallen skeletten van dinosaurussen door elkaar. Het meest opvallende is echter dat tussen al die dino-skeletten ook beenderen liggen van dieren die volgens de geologische tijdschaal daar niet zouden kunnen liggen. Het gaat dan om dieren die al waren uitgestorven voor er dinosaurussen op aarde waren. Maar er liggen ook resten van dieren die helemaal nog niet bestonden ten tijde van de dino's. Als zulke afwijkende vondsten bestaan, hoe zit het dan met de claim dat mensen en dino's nooit samen hebben geleefd – zie Job en de behemot en leviatan.

  1. Oorspronkelijk biomateriaal

Als een dood lichaam verandert in een fossiel dan noemen we dat meestal verstenen of fossilisatie. In werkelijkheid is verstenen maar een van de vormen van fossilisatie. Het is op basis van gevonden fossielen dat we 'weten' hoe lang geleden dinosaurussen hebben geleefd. De laatste 20 jaar wordt de wetenschappelijke wereld echter opgeschrikt door vondsten die niet kunnen. Mary Schweitzer vond in 2005 zacht weefsel in een T-Rex bot. In de wenkbrauwhoorn van een triceratops vond Mark Armitage botcellen. Inmiddels is ook ongefossiliseerde hadrosaurushuid gevonden. Als er werkelijk 65 miljoen jaar verstreken is sinds de fossilisatie begon, dan kunnen deze vondsten niet. Alles zou al lang moeten zijn versteend of verdwenen. Toch wordt er zacht weefsel gevonden. Hoe gevoelig dit allemaal ligt blijkt wel uit de felle reacties. In plaats van een gedegen onderzoek naar de waarde van deze vondsten, worden de wetenschappers die de vondsten publiceerden verketterd en beschuldigd van het voeren van een 'religieuze agenda'. Er is maar één verklaring voor het zachte weefsel in dino-botten. Deze dieren zijn nog niet zo lang geleden gestorven. En als dat waar is hebben mensen van enkele duizenden jaren geleden levende dinosaurussen gezien.

  1. Drakenverhalen

Over de hele wereld komen verhalen voor over draken: reptielachtige grote wezens die verdacht veel op dinosaurussen lijken. Hoe kan het dat mensen die nooit dinosaurussen hebben kunnen zien toch in allerlei volksverhalen beschrijvingen geven van draken die erg op dinosaurussen lijken? Als we de sprookjes even laten voor wat ze zijn dan is het toch wel opmerkelijk dat auteurs als Herodotus, Plinius de Oudere,  Claudius Aelianus,  Cassius Dio en Marco Polo beschrijvingen hebben gegeven van dieren die we herkennen als 'dinosaurus-achtig'.

Conclusie

Zowel vanuit evolutionistisch als creationistisch standpunt bekeken zijn er de nodige kanttekeningen te maken aangaande de ouderdom van de aarde.
Het evolutionistische standpunt (met name de geologische tijdperken) is geen uitgemaakte zaak.
Het creationistische standpunt – tel de leeftijden van de geslachtslijsten in Genesis maar  op en je bent er – is veel te simplistisch.
Een en ander wordt nog lastiger te beoordelen door het overal aanwezige evolutionistische denken. Het 'hoe verder terug in de tijd, hoe primitiever' deugt niet. Alle drie denkwijzen kampen met onmogelijke vondsten. Misschien is het tijd voor een paradigmawisseling? Simpel gezegd, de brillen waarmee we naar de geschiedenis kijken voldoen niet. Op naar de opticien dus, voor een oogmeting…