Inhoudsopgave

donderdag 15 juni 2017

Israël (2)

Leert de Bijbel dat Israël het volk van God is, het land Kanaän door God aan het volk Israël is toegewezen en dat Israël nog steeds het uitverkoren volk van God is? Ik meen van wel.

De aarde is van God
In Exodus wordt ons verteld dat de aarde van de Here is. Dat lijkt logisch, omdat God de schepper is van hemel en aarde, maar Gods tegenstander doet het voorkomen alsof hij de eigenaar is.

Nu dan, indien gij aandachtig naar Mij luistert en mijn verbond bewaart, dan zult gij uit alle volken Mij ten eigendom zijn, want de ganse aarde behoort Mij. (Exodus 19:5)

Het land Kanaän is van God
In Leviticus lezen we dat het land Kanaän eigendom is van de Here, en dat Hij dus bepaalt hoe het er in dat land aan toe moet gaan. Hij geeft inzettingen (hoe Hij alles ‘in elkaar gezet heeft’) en verordeningen (hoe Hij wil dat ‘de orde die Hij schiep’ gehandhaafd moet blijven).

En het land zal niet voor altijd verkocht worden, want het land is van Mij, en gij zijt vreemdelingen en bijwoners bij Mij. (Leviticus 25:23)

De aarde en Kanaän, alles is van God
Het gegeven dat God, bij alles wat vanzelfsprekend van Hem is, toch nog extra benadrukt dat het land van Hem is, moet ons veel zeggen. Hij maakt dat ook waar. Dat blijkt uit de bijzondere eisen die aan bewoners van het land worden gesteld. Eisen die het volk der Amorieten met voeten trad. Lees wat God tot Abraham zei:

Het vierde geslacht echter zal hierheen wederkeren, want eerder is de maat van de ongerechtigheid der Amorieten niet vol. (Genesis 15:16)

De Amorieten dienden de Moloch. De dienst aan deze afgod was bijzonder gruwelijk. Kleine kinderen werden levend in het vuur geworpen als offerande.

Tot de Israëlieten zult gij zeggen: Iedere Israëliet en iedere vreemdeling die in Israël vertoeft, die van zijn kinderen aan de Moloch geeft, zal zeker ter dood gebracht worden: het volk des lands zal hem stenigen. (Leviticus 20:2)

De ongerechtigheid van de Amorieten was niet in overeenstemming te brengen met de heiligheid van God. Israël werd Gods instrument om het land Kanaän te reinigen.
Maar waren de Amorieten nu zondiger dan andere hen omringende volken? In veel opzichten niet. Die volken dienden ook afgoden met alle afschuwelijke praktijken van dien. Toch werden die andere volken op dat moment ongemoeid gelaten. Het land Kanaän is blijkbaar een ‘geval apart’. Dat God aan de bewoners van het land bijzondere eisen stelt ondervonden de Samaritanen. Zij werden door de koning van Assur naar Kanaän gestuurd om het ontvolkte land van nieuwe bewoners te voorzien.

24 De koning van Assur bracht mensen uit Babel, Kuta, Awwa, Hamat en Sefarwaim en deed hen wonen in de steden van Samaria in plaats van de Israëlieten. Zij namen Samaria in bezit en vestigden zich in de steden daarvan.
25 In de eerste tijd nu, dat zij daar woonden, vereerden zij de Here niet; daarom zond de Here leeuwen onder hen, die sommigen van hen doodden.
26 Toen zeide men tot de koning van Assur: De volken die gij hebt weggevoerd en in de steden van Samaria hebt doen wonen, kennen de juiste dienste van de God des lands niet; daarom heeft Hij leeuwen onder hen gezonden en zie, deze doden hen, omdat zij de juiste dienst van de God des lands niet kennen. (2 Koningen 17:24-26)

Wonen in het land Kanaän brengt blijkbaar een bijzondere verantwoordelijkheid met zich mee! Helaas heeft Israël - ondanks alle waarschuwingen van Godswege - het voorbeeld van de volken rondom wél nagevolgd en zo het oordeel van God over zich afgeroepen.

En gij zult weten, dat Ik de Here ben, naar wiens inzettingen gij niet gewandeld hebt, en aan wiens verordeningen gij niet voldaan hebt: naar de zeden der volken rondom u hebt gij gehandeld. (Ezechiël 11:12)

In de oudheid werden goden vaak verbonden geacht met landstreken. In de praktijk bleek dat uit niets, behalve als de God van Israël er bij betrokken was. Assur had nieuwe bewoners naar Samaria en omstreken gebracht. Dezen hadden geen idee van de dienst aan de God van Israël. Maar de wetten van Mozes lieten ondubbelzinnig weten op welke manier de Here door Israël gediend wilde worden. Het houden van deze wetten en het verblijf in het land Kanaän hielden verband met elkaar.

Eer uw vader en uw moeder, zoals de Here, uw God, u geboden heeft, opdat uw dagen verlengd worden en het u wel ga in het land, dat de Here, uw God, u geeft.
(Deuteronomium 5:16)

God maakte duidelijk dat het land Kanaän Zijn land is. Een land dat Hij alleen aan Israël heeft gegeven.

Over welk land hebben we het?
Op verschillende plaatsen in de Bijbel wordt nauwkeurig omschreven binnen welke grenzen het volk Israël zou komen te wonen. In Numeri 34 vinden we zo’n voorbeeld.

1 De Here sprak tot Mozes:
2 Gebied de Israëlieten en zeg tot hen: Wanneer gij in het land Kanaän komt, dan zal dit het land zijn, dat u ten erfdeel toevallen zal, het land Kanaän naar zijn grenzen.
3 De zuidkant dan zal zijn (…) (Numeri 34:1-3vv)

Nemen we een kaart van het Midden Oosten erbij, dan zien we dat dit globaal het gebied is waar nu de Joodse staat Israël is gevestigd.

Voor wie was het land bestemd?
Het land beschreven in Numeri 34 heeft de Here gezworen te geven aan Abraham en zijn nakomelingen. We lezen dat in Exodus 6 en 13, Deuteronomium 1 en 6, en Jozua 21.

En Ik zal u brengen naar het land, waarvan Ik gezworen heb het aan Abraham, Isaak en Jakob te zullen geven, en Ik zal het u geven tot een bezitting, Ik de Here. (Exodus 6:7)

Wanneer de Here u gebracht heeft naar het land der Kanaänieten, Hethieten, Amorieten, Chiwwieten en Jebusieten, waarvan Hij uw vaderen gezworen heeft, dat Hij het u zal geven, een land, vloeiende van melk en honig, dan zult gij deze dienst in deze maand onderhouden. (Exodus 13:5)

Zie, Ik heb dat land tot uw beschikking gesteld; trekt er binnen en neemt bezit van het land, waarvan de Here aan uw vaderen, Abraham, Isaak en Jakob gezworen heeft, dat Hij het hun en hun nakroost geven zou. (Deuteronomium 1:8)

Wanneer nu de Here, uw God, u in het land zal gebracht hebben, waarvan Hij uw vaderen, Abraham, Isaak en Jakob, gezworen heeft het u te zullen geven (grote en goede steden, die gij niet gebouwd hebt; (Deuteronomium 6:10)

Zo heeft de Here aan Israël het gehele land gegeven, dat Hij gezworen had hun vaderen te zullen geven; zij namen het in bezit en gingen er wonen. (Jozua 21:43)

Gods eed
De Bijbel is de enige bron die ons vertelt dat het land Kanaän door God is toevertrouwd aan het volk Israël. Voor gelovigen - Jood dan wel Christen - is dit geen probleem. De Tenach (Joodse Bijbel) respectievelijk de Christelijke Bijbel vormen voor dezen het eind van alle tegenspraak. Voor andersgelovigen of niet-gelovigen ligt dat uiteraard anders. Een vergelijk hierover is eigenlijk onnmogelijk. Een debat leidt meestal tot niets en ontaardt niet zelden in een welles - nietes confrontatie. Het is een geestelijke zaak, vandaar waarschijnlijk ook de felle toon van tegenstanders. We zijn dus genoodzaakt verder te gaan met uitsluitend de Bijbel - en dat is geen straf.

We zagen al hoe God had gezworen het gehele land aan Israël te zullen geven. Informatie over die eed God vinden we in Hebreeën.

13 Want toen God aan Abraham zijn belofte deed, zwoer Hij, omdat Hij bij niemand hoger kon zweren, bij Zichzelf,
14 zeggende: Voorzeker zal Ik u zegenen en zekerlijk u vermeerderen.
16 Want mensen zweren bij wie hoger is, en de eed dient hun tot bekrachtiging, als einde van alle tegenspraak.
17 Daarom heeft God, toen Hij des te nadrukkelijker aan de erfgenamen der belofte het onveranderlijke van zijn raad wilde doen blijken, Zich onder ede verbonden,
18 opdat door twee onveranderlijke dingen, waarbij het onmogelijk is, dat God liegen zou, wij, die (tot Hem de) toevlucht genomen hebben, een krachtige aansporing zouden hebben om de hoop te grijpen, die voor ons ligt. (Hebreeën 6:13-14; 16-18)

1. Als God iets belooft dan kun je er van op aan - God is geen mens dat Hij liegen zou.
En wat die eed betreft, mensen zweren bij iets of iemand hoger dan henzelf. Er is echter niemand hoger dan God - dus zwoer Hij bij Zichzelf.

2. Een variant treffen we aan bij Amos - God zweert bij Zijn heiligheid. Er is niemand heilig, behalve God - dus zwoer Hij bij Zichzelf.

De Here Here heeft gezworen bij zijn heiligheid (…) (Amos 4:2)

3. Het is een eeuwig geldende eed.

7 Hij, de Here, is onze God, zijn oordelen gaan over de ganse aarde;
8 Hij gedenkt voor eeuwig aan zijn verbond, (het woord, dat Hij gebood aan duizend geslachten)
9 Dat Hij met Abraham sloot, en aan zijn eed aan Isaak;
10 Ook stelde Hij het voor Jakob tot een inzetting, voor Israël tot een eeuwig verbond,
11 Toen Hij zeide: U zal Ik het land Kanaän geven als het u toegemeten erfdeel.
(Psalm 105:7-11)

4. God kan niet liegen.

God is geen man, dat Hij liegen zou; of een mensenkind, dat Hij berouw zou hebben. Zou Hij zeggen en niet doen, of spreken en niet volbrengen? (Numeri 23:19)

(…) God, die niet liegt, (…) (Titus 1:2)

5. God verandert niet van gedachten.

Ook liegt de Onveranderlijke Israëls niet en Hij kent geen berouw; want Hij is geen mens, dat Hij berouw zou hebben. (1 Samuel 15:29)

Conclusie: De Bijbel leert dat nu en in de toekomst het land uitsluitend en alleen bestemd is voor het volk Israël.

De knecht des Heren
Over de Here Jezus is in het Oude en het Nieuwe Testament meermalen gezegd dat Hij de Knecht des Heren is. Een paar voorbeelden:

1 Zie, mijn knecht, die Ik ondersteun; mijn uitverkorene, in wie Ik een welbehagen heb. Ik heb mijn Geest op hem gelegd: hij zal de volken het recht openbaren.
(…)
6 Ik, de Here, heb u geroepen in gerechtigheid, uw hand gevat, u behoed en u gesteld tot een verbond voor het volk, tot een licht der natiën:
7 Om blinde ogen te openen, om gevangenen uit de kerker te leiden, uit de gevangenis wie in duisternis gezeten zijn. (Jesaja 42:1, 6-7)

17 opdat vervuld zou worden het woord, gesproken door de profeet Jesaja, toen hij zeide:
18 Zie, mijn knecht, die Ik verkoren heb, mijn geliefde, in wie mijn ziel een welbehagen heeft; Ik zal mijn Geest op Hem leggen en Hij zal de heidenen het oordeel verkondigen.
(Mattheus 12:18)

De God van Abraham en Isaak en Jakob, de God onzer vaderen, heeft zijn knecht Jezus verheerlijkt, die gij hebt overgeleverd en verloochend ten overstaan van Pilatus, ofschoon deze oordeelde, dat men Hem moest loslaten. (Handelingen 3:13)

God heeft in de eerste plaats voor u zijn Knecht doen opstaan en Hem tot u gezonden, om u te zegenen, door een ieder uwer af te brengen van zijn boosheden. (Handelingen 3:26)

Maar merkwaardig genoeg wordt ook van Israël gezegd, dat het Gods knecht is:

8 Maar gij, Israël, mijn knecht, Jakob, die Ik verkoren heb, nakroost van mijn vriend Abraham,
9 Gij, die Ik gegrepen heb van de einden der aarde en geroepen uit haar uithoeken, tot wie Ik zeide: Gij zijt mijn knecht, Ik heb u verkoren en u niet versmaad; (Jesaja 41:8-9)

Hij heeft Zich Israël, zijn knecht, aangetrokken, om te gedenken aan barmhartigheid, -
(Lukas 1:54)

En soms ... 

En Hij zeide tot mij: Gij zijt mijn knecht, Israël, in wie Ik Mij zal verheerlijken. (Jesaja 49:3)

Over wie gaat het hier? Het volk Israël of Jezus Christus, de Zoon van God? Het laat in ieder geval zien hoe nauw de Here Jezus verbonden is met het volk Israël.
Israël is Gods knecht. Een knecht is in dienst van een werkgever, een knecht is een werknemer. Waar bestaat het knechtzijn voor Israël dan in? We lezen het in Jesaja.

10 Gij zijt, luidt het woord des Heren, mijn getuigen, en mijn knecht, die Ik verkoren heb, opdat gij het weet en in Mij gelooft en inziet, dat Ik dezelfde ben; voor Mij is er geen God geformeerd en na Mij zal er geen zijn
11 Ik, Ik ben de Here, en buiten Mij is er geen Verlosser.
12 Ik heb verkondigd, verlost en doen horen, en ben geen vreemde onder u; gij toch zijt mijn getuigen, luidt het woord des Heren, en Ik ben God. (Jesaja 43:10-12)

Israëls taak is duidelijk maken dat de Here God is!
Alles samengevat zien we dat Israël het volk van God is, van God een specifieke plek heeft gekregen om te wonen en dat Israël een taak heeft.

En nu?
Is Israël nog steeds Gods volk, nog steeds de knecht des Heren? Ja, nog steeds! Paulus windt er geen doekjes om!

1 Ik vraag dan: God heeft zijn volk toch niet verstoten? Volstrekt niet! Ik ben immers zelf een Israëliet, uit het nageslacht van Abraham, van de stam Benjamin.
2 God heeft zijn volk niet verstoten, dat Hij tevoren gekend heeft. (…)
5 Zo is er dan ook in de tegenwoordige tijd een overblijfsel gelaten naar de verkiezing der genade. (Romeinen 11:1-2, 5)

Er ligt nog ruim duizend jaar ‘werk’ op Israël te wachten. De Bijbel informeert ons over de volgorde van toekomstige gebeurtenissen.

1.    Heden (genadetijd; tijd van de gemeente; gedeeltelijke verharding van Israël).
2.    Opname van de gemeente (Christus haalt de gemeente weg van deze wereld).
3.    Zeven jaar verdrukking – schrikbewind van de antichrist.
4.    Terugkomst van Koning Jezus.
5.    De redding van Israël.
6.    Het duizendjarig rijk.

De opname wordt door Paulus omschreven als 'het binnengaan van de volheid der heidenen', de terugkomst van Koning Jezus als 'de Verlosser zal uit Sion komen' en de redding van Israël als 'gans Israël zal behouden worden'.

25 Want, broeders, opdat gij niet eigenwijs zoudt zijn, wil ik u niet onkundig laten van dit geheimenis; een gedeeltelijke verharding is over Israël gekomen, totdat de volheid der heidenen binnengaat,
26 en aldus zal gans Israël behouden worden, gelijk geschreven staat: De Verlosser zal uit Sion komen, Hij zal goddeloosheden van Jakob afwenden. (Romeinen 11:25-26)

Wat betreft de taak van Israël tijdens het duizendjarig rijk raadplegen we nogmaals de profeet Jesaja. Alle volkeren die nu maar niet genoeg krijgen van het wegzetten van Israël als 'bezetter', zullen dan optrekken naar Jeruzalem. Niet om oorlog te voeren, maar om onderwezen te worden!

2 En het zal geschieden in het laatste der dagen: dan zal de berg van het huis des Heren vaststaan als de hoogste der bergen, en hij zal verheven zijn boven de heuvelen. En alle volkeren zullen derwaarts heenstromen
3 En vele natiën zullen optrekken en zeggen: Komt, laten wij opgaan naar de berg des Heren, naar het huis van de God Jakobs, opdat Hij ons lere aangaande zijn wegen en opdat wij zijn paden bewandelen. Want uit Sion zal de wet uitgaan en des Heren woord uit Jeruzalem. (Jesaja 2:2-3)

Conclusie: ook nu en in de toekomst is Israël Gods uitverkoren volk op aarde.

En dus?
Het is essentieel voor onze behoudenis te belijden dat Jezus Christus de Zoon van God is.

Hieraan onderkent gij de Geest Gods: iedere geest, die belijdt, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, is uit God; (1 Johannes 4:2)

Het is net zo essentieel voor ons zicht op de eindtijd te belijden (!) dat het Israël Gods nog altijd Gods knecht is. Ten tijde van David en Salomo was Israël een natie om rekening mee te houden. Israëls ware glorietijd moet echter nog komen: het duizendjarig rijk, met Jeruzalem als centrum van de wereld, en Jezus als Koning.

En de Palestijnen dan?
Zij zijn het slachtoffer van een vuil spel waarin ze gebruikt worden als ‘wapen’ tegen Israël. De problemen waarin deze mensen zijn gekomen worden daarbij geheel als door Israël veroorzaakt neergezet: een geraffineerd staaltje propaganda.

donderdag 8 juni 2017

Heeft satan nog steeds toegang tot de hemel?

Een vraag die regelmatig terugkeert!
De Bijbel spreekt over tenminste drie hemelen: (1) het uitspansel (als in 'een wolkenloze hemel'), (2) de ruimte met de hemellichamen (heelal) en (3) de woonplaats van God, de Heer Jezus en de engelen.

Voordat de satan ten val kwam was hij een engel; zijn woonplaats zal destijds dan ook 'de derde hemel' zijn geweest. De satan kwam echter ten val. Men onderscheidt wel vier fasen in de val van satan. (1) De eerste, de morele val, (2) de val uit de hemel ofwel zijn verbanning naar de aarde (3) zijn verbanning naar de afgrond (abyssos) gedurende 1000 jaar, en (4) zijn eeuwigdurende verwijdering naar de 'poel van vuur'.
Iedereen is het erover eens dat de eerste val reeds heeft plaatsgevonden. Er is ook geen verschil van mening ten aanzien van de derde en de vierde val: deze gebeurtenissen liggen nog in de toekomst.

Het onderwerp van discussie vormt de tweede val. Heeft die reeds plaatsgevonden, en is de bewegingsruimte van satan beperkt tot de aarde? Of ligt deze val nog in de toekomst en heeft satan nog steeds toegang tot alle hemelen? Een variant op deze zienswijze is een 'uitbreiding' van de eerste val. Men betoogt dan dat God satan al meteen de toegang tot de hemel heeft ontzegd. Dit zou dan inhouden dat satan zich alleen nog vrijelijk door het heelal kan bewegen, en alle bewegingsruimte heeft op aarde.

Of ligt de waarheid in het midden? Zou het misschien kunnen zijn dat sinds de morele val van satan hij niet langer in de derde hemel woont, zoals alle (niet gevallen) engelen? En is het dan denkbaar dat hij nog wel toegang heeft om bijvoorbeeld zijn rol als aanklager uit te voeren?

De pleitbezorgers van de visie dat satan in het geheel geen toegang meer heeft tot de derde hemel wijzen op Ezechiël 28 en Jesaja 14.

Ezechiël 28

Ezechiël zingt een spotlied over de val van de koning van Tyrus. In deze teksten staan elementen die inderdaad gaan over de val van een hooggeplaatste. Er zijn echter zoveel problemen met de interpretatie dat toepassing op satan eigenlijk niet mogelijk is.

16 Door uw uitgebreide handel zijt gij vervuld geraakt met geweldenarij en kwaamt gij tot zonde. Van de berg der goden verbande Ik u en deed u weg, gij beschuttende cherub, van tussen de vlammende stenen.
17 Trots was uw hart op uw schoonheid. Met uw luister hebt gij ook uw wijsheid teniet doen gaan. Ter aarde wierp Ik u neer, en maakte u tot een schouwspel voor koningen om met leedvermaak naar u te zien.
18 Door uw vele ongerechtigheden, door het onrecht bij uw koophandel, hebt gij uw heiligdommen ontwijd. Vuur deed Ik oplaaien uit uw midden; dat verteerde u! Ik maakte u tot as op de grond voor de ogen van allen die u zagen.
19 Allen die onder de volken u kennen, ontzetten zich over u; een verschrikking zijt gij geworden, verdwenen zijt gij. Voor altijd! (Ezechiël 28:16-19)

Als de passages over handel, geweldenarij en zonde letterlijk genomen moeten worden, dan ook de overige. We lezen over het neerwerpen op aarde, het tot een schouwspel worden voor koningen, over leedvermaak. De persoon werd tot as op de grond gemaakt en zo voor iedereen te zien. Ten slotte wordt gezegd dat deze figuur voor altijd verdwenen is.
We kennen geen Bijbelse verslagen over satan die met leedvermaak wordt bekeken. Tot as is satan zeker niet gemaakt, en voor altijd verdwenen al helemaal niet (althans nog niet).

Dit leidt tot de volgende conclusies.
  1. De val van satan heeft mogelijk model gestaan voor de beschrijving in dit gedeelte van het boek Ezechiël.
  2. Het gaat over de koning van Tyrus, er is sprake van een allegorie die de hoogmoed en val van deze man weergeeft.
  3. Het gaat om een engelvorst die achter een politieke macht of concrete persoon staat of heeft gestaan.

Jesaja 14

Ook in Jesaja 14 is sprake van een spotlied. Nu gaat het om de koning van Babel. Er zijn hier een aantal elementen die wel aan satan en diens val doen denken. Het gaat dan met name over de verzen 12-14.

12 Hoe zijt gij uit den hemel gevallen, o morgenster, gij zoon des dageraads! [hoe] zijt gij ter aarde nedergehouwen, gij, die de heidenen krenktet!
13 En zeidet in uw hart: Ik zal ten hemel opklimmen, ik zal mijn troon boven de sterren Gods verhogen; en ik zal mij zetten op den berg der samenkomst aan de zijden van het noorden.
14 Ik zal boven de hoogten der wolken klimmen, ik zal den Allerhoogste gelijk worden.(SV)(Jesaja 14:12-14)

'Uit de hemel gevallen', 'morgenster', hoogmoed (want 7 x 'ik zal'), staat er. Toch lijkt het ook nu eerder om een allegorie te gaan. Neem nu het 'morgenster, zoon des dageraads'. Vergelijkbare woorden worden ook op de Here Jezus toegepast.

(…) totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw harten. (2 Petrus 1:19)

In beide verzen is sprake van een morgenster, en ook in beide gaat het om 'vroeg op de dag'. Zo in 'morgenster' satan te willen zien, en elders de Here Jezus, doet de Bijbel geweld aan. Wat betekenen de verzen dan? De meest voor de hand liggende interpretatie is die welke de Bijbel zelf geeft: de koning van Babel. Dit spreekt des te sterker als we Genesis 11 lezen.

Ook zeiden zij: Welaan, laten wij ons een stad bouwen met een toren, waarvan de top tot de hemel reikt, en laten wij ons een naam maken, opdat wij niet over de gehele aarde verstrooid worden. (Genesis 11:4)

Babel staat hier symbool voor het 'aan God gelijk zijn'. Jesaja 14:12-14 zou zo maar op Genesis 11 van toepassing kunnen zijn. Dezelfde naam en hetzelfde streven.

Niet geheel onverwacht kunnen we dezelfde conclusie trekken als bij Ezechiël 28.

  1. De val van satan heeft mogelijk model gestaan voor de beschrijving in dit gedeelte van het boek Jesaja.
  2. Het gaat over de koning van Babel, er is sprake van een allegorie die de hoogmoed en val van deze man weergeeft.
  3. Het gaat om een engelvorst die achter een politieke macht of concrete persoon staat of heeft gestaan.

Wat dan wel?

De Schriftgedeelten uit Jesaja en Ezechiël hinten slechts op satans val. We kunnen daar dus geen definitieve conclusies aan verbinden. Het blijft daarom onduidelijk of satan na zijn eerste val volledige toegang behield tot de derde hemel.  
Maar wat als de waarheid in het midden ligt? Door zijn val werd hij bij wijze van spreken 'dakloos', zonder vaste woon- of verblijfplaats. Trouw gebleven engelen woonden nog steeds in de derde hemel, maar satan en zijn fanclub niet. Ondertussen behield hij wel toegang tot de derde hemel. Daar zijn voorbeelden van. Zo lezen we in het boek Job twee keer iets over een 'vergadering' - anderen zeggen 'een rechtszitting'.

Op zekere dag nu kwamen de zonen Gods om zich voor de Here te stellen, en onder hen kwam ook de satan. (Job 1:6)

Op zekere dag kwamen de zonen Gods om zich voor de Here te stellen, en onder hen kwam ook de satan om zich voor de Here te stellen. (Job 2:1)

Toen ging de satan van des Heren aangezicht heen, (…) (Job 2:7)

18 Toen sprak de koning van Israël tot Josafat: Heb ik u niet gezegd: hij profeteert over mij niets goeds, maar enkel onheil?
19 [Micha] zeide: Daarom, hoor het woord des Heren. Ik zag de Here op zijn troon zitten, terwijl het ganse heer des hemels aan zijn rechterhand en aan zijn linkerhand stond.
20 En de Here zeide: wie zal Achab verleiden, zodat hij optrekt en sneuvelt te Ramot in Gilead? De een zeide dit en de ander dat.
21 Toen trad er een geest naar voren en stelde zich voor de Here en zeide: ik zal hem verleiden. De Here vroeg hem: waarmede?
22 Hij antwoordde: ik zal heengaan en een leugengeest worden in de mond van al zijn profeten. Toen zeide Hij: gij moet hem verleiden, en gij zult er ook toe in staat zijn; ga heen en doe het.
23 Nu dan, zie, de Here heeft een leugengeest gegeven in de mond van al deze profeten van u, en de Here heeft onheil over u besloten. (1 Koningen 22:18-22)

Vervolgens deed Hij mij de hogepriester Jozua zien, staande voor de Engel des Heren, terwijl de satan aan zijn rechterhand stond om hem aan te klagen. (Zacharia 3:1)

Deze Schriftgedeelten stellen ons in combinatie met de eerdere conclusies voor een probleem. Als satan inderdaad geen toegang meer had tot de derde hemel, waar vonden deze bijeenkomsten dan plaats? Het is toch absurd te veronderstellen dat God Zijn troon heeft verplaatst naar de tweede hemel (de 'hemelse gewesten') om satan 'tegemoet te komen'?

Openbaring

We lezen Openbaring 12:7-12. In dit gedeelte wordt gesproken over de verwijdering van de satan uit de hemel. Hier is tevens duidelijk dat de deur van de hemel voor satan en zijn engelen definitief op slot gaat.

7 En er kwam oorlog in de hemel: Michael en zijn engelen voerden oorlog tegen de draak, en de draak voerde oorlog en zijn engelen;
8 en hij was niet sterk genoeg, en hun plaats werd in de hemel niet meer gevonden.
9 En de grote draak werd neergeworpen, de oude slang, die genoemd wordt duivel en de satan, die het hele aardrijk misleidt; hij werd neergeworpen op de aarde en zijn engelen werden met hem neergeworpen.
10 En ik hoorde een luide stem in de hemel zeggen: Nu is de behoudenis gekomen en de kracht en het koninkrijk van onze God en het gezag van zijn Christus; want de aanklager van onze broeders, die hen dag en nacht voor onze God aanklaagde, is neergeworpen.
11 En zijzelf hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis, en zij hebben hun leven niet liefgehad tot de dood toe.
12 Daarom weest vrolijk, hemelen en die daarin woont. Wee de aarde en de zee, want de duivel is tot u neergekomen met grote grimmigheid, daar hij weet dat hij weinig tijd heeft.

Wanneer vond of vindt dit plaats?

Hoe zit het nu? Is de satan al uit de hemel verbannen of gaat dat nog gebeuren? Stel dat de gebeurtenissen uit Openbaring 12 al ver achter ons liggen (sommige uitleggers beweren dat). In dat geval zou de opstand van de satan tegen God én het verliezen van de toegang tot de derde hemel al voor de zondeval van de mens hebben plaatsgevonden. Het tweede - geen toegang tot de derde hemel - lijkt mij in het licht van Openbaring 12 zeer onwaarschijnlijk. Waarom? Laten we een paar verzen wat nader bekijken.

En ik hoorde een luide stem in de hemel zeggen: Nu is de behoudenis gekomen en de kracht en het koninkrijk van onze God en het gezag van zijn Christus; want de aanklager van onze broeders, die hen dag en nacht voor onze God aanklaagde, is neergeworpen. (Openbaring 12:10)

De aanklager van onze broeders is neergeworpen. Dit alleen al bewijst dat deze gebeurtenis niet gelijktijdig met de opstand van satan heeft plaatsgevonden. De mens was toen nog niet eens geschapen, en er waren dus geen broeders om aan te klagen.

En zijzelf hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis, en zij hebben hun leven niet liefgehad tot de dood toe. (Openbaring 12:11)

Hier geldt min of meer hetzelfde argument. Ze ('de gelovigen') hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam. Dat kan onmogelijk vóór de kruisiging van de Here Jezus en gelijktijdig met de opstand van satan hebben plaatsgevonden. De overwinning op satan vond plaats op Golgotha.

Daarom weest vrolijk, hemelen en die daarin woont. Wee de aarde en de zee, want de duivel is tot u neergekomen met grote grimmigheid, daar hij weet dat hij weinig tijd heeft. (Openbaring 12:12)

Hier wordt gezegd dat de duivel heeft weinig tijd heeft. Als de gebeurtenissen uit Openbaringen halverwege de Grote Verdrukking gaan plaatsvinden, dan klopt dat: Satan heeft waarschijnlijk nog maar 3½ jaar. Maar, als deze gebeurtenissen gelijktijdig met de opstand van satan hebben plaatsgevonden slaat het hebben van weinig tijd nergens op. Satan viel al voor de schepping van de mens. En op dat moment lagen er nog duizenden jaren in het verschiet. Tijd zat, zou je denken.

Wel toegang

De satan heeft dus tot op dit moment toegang tot de hemel. Hij treedt daar op als aanklager. We hebben daarom ook een hemelse advocaat nodig: de Here Jezus.

wie zal veroordelen? Christus Jezus is de gestorvene, wat meer is, de opgewekte, die ter rechterhand Gods is, die ook voor ons pleit. (Romeinen 8:34)

Daarom kan Hij ook volkomen behouden, wie door Hem tot God gaan, daar Hij altijd leeft om voor hen te pleiten. (Hebreeën 7:25)

Mijn kinderkens, dit schrijf ik u, opdat gij niet tot zonde komt. En als iemand gezondigd heeft, wij hebben een voorspraak bij de Vader Jezus Christus, de rechtvaardige; (1 Johannes 2:1)

De definitieve verwijdering van de satan uit de hemel ligt nog in (nabije) toekomst.
De Here Jezus sprak zelf ook enige malen over deze gebeurtenis als iets wat nog in de toekomst lag.

Hij nu zei tot hen: Ik zag de satan als een bliksem uit de hemel vallen. (Lukas 10:18)

Dit is een profetische uitspraak, gesteld in profetisch perfectum (alsof het al gebeurd is). Met de komst van de Here Jezus op aarde is de definitieve overwinning op satan ingezet.

Nu is het oordeel van deze wereld; nu zal de overste van deze wereld worden buitengeworpen. (Johannes 12:31)

Opnieuw een profetische uitspraak. Het worden buitengeworpen (platweg: eruit gegooid) ziet op de verwijdering van de satan uit de 'hemelse gerechtszaal'. Met de komst van de Here Jezus op aarde is dit 'buitenwerpen' van satan ingezet.

Nieuw

Er liggen hier nog vele onbeantwoorde en onbeantwoordbare vragen. Zo wordt vaak tegengeworpen dat satan geen toegang tot de derde hemel kon hebben, omdat in Gods nabijheid geen zonde mag/kan bestaan. Maar al in Genesis 3 zien we God en satan in elkaars nabijheid.

14 Daarop zeide de Here God tot de slang: Omdat gij dit gedaan hebt, zijt gij vervloekt onder al het vee en onder al het gedierte des velds; op uw buik zult gij gaan en stof zult gij eten, zolang gij leeft.
15 En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen. (Genesis 3:14-15)

Toch is de derde hemel aangetast door satan en zijn val. God blijkt immers reden  te hebben 'alles' nieuw te maken. Dat 'alles' slaat op de gehele schepping waartoe ook de derde hemel behoort.

En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan, en de zee was niet meer. (Openbaring 21:1)

En Hij, die op de troon gezeten is, zeide: Zie, Ik maak alle dingen nieuw. (Openbaring 21:5)

Vers 1 spreekt van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Vers 5 van een vernieuwing van alle dingen. Dat laatste lijkt te suggereren dat 'iets' van de oude schepping ook in de nieuwe zal worden gevonden. Misschien kunnen we het vergelijken met de 'nieuwe mens'. De 'nieuwe mens' is een wedergeboren mens, opnieuw geboren. Toch weten we wie die nieuwe mens is. We kennen hem/haar nog uit de tijd van voor de wedergeboorte.

Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen. (2 Korinte 5:17)

Het lijkt me daarom veilig te veronderstellen dat zowel vers 1 als vers 5 er garant voor staan dat niets van satans verderfelijke invloed zal worden aangetroffen in de nieuwe schepping.