Inhoudsopgave

donderdag 31 augustus 2017

Hand of pols?

Wat deden de soldaten toen zij onze Here Jezus kruisigden? Sloegen ze spijkers door de handen? Over de voeten is weinig verschil van mening. Hoe anders ligt het met de handen. Gingen de spijkers wel door de handen, of was het door de polsen? Je zou je kunnen afvragen of het wat uitmaakt. Op refoweb.nl verwoordde iemand het als volgt:

'Eerlijk gezegd vind ik het wel zinvol om er kennis van te nemen. Er zijn zo meerdere "onduidelijkheden" in de Schrift. Wat ik mooi vind is dat het uitzoeken van zulke zaken vaak tot verdieping van de betreffende perikoop en tot verwondering strekken. Het lost ook veel vragen op. En dat is nooit verkeerd.'

Daar zeg ik van harte 'amen' op. Dus, hand of pols? De meest simpele uitlegging luidt: door de handen. Immers, gaan niet alle teksten van na de opstanding over de littekens in de handen van de Here?

Ziet mijn handen en mijn voeten, dat Ik het zelf ben; betast Mij en ziet, dat een geest geen vlees en beenderen heeft, zoals gij ziet, dat Ik heb. (Lucas 24:39)

En na dit gezegd te hebben toonde Hij hun zijn handen en zijn zijde. De discipelen dan waren verblijd, toen zij de Here zagen. (Johannes 20:20)

De andere discipelen dan zeiden tot hem: Wij hebben de Here gezien! Maar hij zeide tot hen: Indien ik in zijn handen niet zie het teken der nagels en mijn vinger niet steek in de plaats der nagels en mijn hand niet steek in zijn zijde, zal ik geenszins geloven. (Johannes 20:25)

Daarna zeide Hij tot Tomas: Breng uw vinger hier en zie mijn handen en breng uw hand en steek die in mijn zijde, en wees niet ongelovig, maar gelovig. (Johannes 20:27)

Handen dus. Het Griekse woord dat hier wordt gebruikt is 'cheir'. En inderdaad, 'cheir' wordt vertaald met hand. Wij herkennen het woord 'cheir' in chiropractie, een samentrekking van de Griekse woorden 'cheiros' (hand) en 'pratto' (beoefenen).
Maar wat bedoelde men in Bijbelse tijden met 'cheir'? Was dat gelijk aan onze opvatting van wat een hand is, of toch iets meer? Wij bedoelen met hand het uiteinde van de arm. Het gebruik van 'cheir' in Handelingen lijkt te wijzen op hand én pols. Petrus, gevangen gezet door Herodes, ligt te slapen in zijn cel in de gevangenis. Let op wat er dan gebeurt.

En zie, een engel des Heren stond bij hem en er scheen licht in het vertrek en hij stootte Petrus in zijn zijde om hem te wekken en zeide: Sta snel op. En de ketenen vielen van zijn handen. (Handelingen 12:7)

Als iemand met ketenen geboeid is denken we aan ijzer om de polsen. En hoewel de meeste vertalers kiezen voor hand, kan het wel, 'cheir' vertalen met pols.

Waarom zou vertalen met hand problematisch kunnen zijn?

Uitleggers die 'cheir' liever met pols vertalen dan met hand, wijzen op een praktisch probleem. Stel, de spijkers worden door de handpalm geslagen. Gevolg, het grootste deel van het lichaamsgewicht komt aan het zachte weefsel van de hand te hangen. Dat zachte weefsel is waarschijnlijk niet sterk genoeg. Het zal uitscheuren en de veroordeelde valt voorover. Een redelijk argument.
In de tijd van de kruisigingen zal dat ongetwijfeld bekend zijn geweest. Dus, gaat de argumentatie verder, kan het niet anders of de spijkers werden door het polsgewricht geslagen. Aangezien dit gewricht uit louter botten bestaat zal het wél houden. De conclusie moet dus luiden dat 'cheir' vertaald dient te worden met pols. Aan de andere kant hoeft dat niet perse omdat, zoals we hierboven zagen, 'cheir' voor hand én pols staat. Dat zou dan inhouden dat de vertaling niet behoeft te worden aangepast. Immers, als de spijkers door de pols werden geslagen, dan gebruikt men het woord 'cheir', hetgeen vertaald wordt met pols. Worden de spijkers door de hand geslagen, gebruikt men ook 'cheir'. Beide vertalingen zijn correct.

Is vertalen met pols de enig juiste oplossing?

Hét bezwaar tegen het vertalen van 'cheir' door hand is dus van praktische aard. Als het gewicht van de veroordeelde geheel en al aan de door de hand geslagen spijker hangt, zal deze zeker uitscheuren. Wordt de spijker door het polsgewricht geslagen dan vervalt dit probleem. Op schilderijen en in beeldhouwwerken zien we echter ook andere mogelijke oplossingen.
  1. De veroordeelde is met touwen aan het kruis gebonden, zodat de spijkers in de handpalmen niet het gewicht van de veroordeelde hoeft te dragen.
  2. De verticale balk van het kruis is voorzien van een voetsteun, met als resultaat de conclusie onder 1.
  3. De verticale balk van het kruis is voorzien van een zitsteun, met opnieuw als resultaat de conclusie onder 1.

Van deze 'oplossingen' voldoet eigenlijk alleen nummer 1. Misdadigers heb je namelijk in soorten en maten. Een voetsteun of zitbankje moet daarom 'op maat' worden aangebracht. Het valt moeilijk aan te nemen dat een dergelijke 'service' in het pakket zat.

Indirect bewijs?

In Lukas 24 krijgen 'de Emmaüsgangers' gezelschap van de opgestane Heer. Na een korte woordenwisseling lezen we:

25 En Hij zeide tot hen: O onverstandigen en tragen van hart, dat gij niet gelooft alles wat de profeten gesproken hebben!
26 Moest de Christus dit niet lijden om in zijn heerlijkheid in te gaan?
27 En Hij begon bij Mozes en bij al de profeten en legde hun uit, wat in al de Schriften op Hem betrekking had. (Lukas 24:25-27)

Iedere spreker gebruikt handgebaren om Zijn betoog kracht bij te zetten. Zou de Heer bij Zijn uitleg Zijn handen stil en uit zicht hebben gehouden? Niet erg waarschijnlijk. De twee mannen herkennen Hem echter niet, want er staat:

(…) hun ogen waren bevangen, zodat zij Hem niet herkenden. (Lukas 24:16)

Het bevangen zijn van hun ogen betekende niet alleen dat ze Zijn gezicht niet herkenden, maar ook dat de betekenis van de littekens niet tot hen doordrong. Littekens in hand of pols? Uit deze teksten kunnen we dat niet afleiden.

Dan is er dat fantastische moment van herkenning. De Heer breekt het brood en reikt het hun aan.

30 En het geschiedde, toen Hij met hen aanlag, dat Hij het brood nam, de zegen uitsprak, het brak en hun toereikte.
31 En hun ogen werden geopend en zij herkenden Hem; en Hij verdween uit hun midden. (Lukas 24:30-31)

Wat maakte dat ze Hem ineens herkenden? Zagen nu wel de littekens? Stel, de littekens zaten in Zijn polsen. De Here reikt het brood aan. Dat heeft tot gevolg dat er meer van de arm zichtbaar wordt. Door deze beweging zal de pols duidelijk zichtbaar zijn geweest. Maar ook dit is geen bewijs. Ook als de littekens in de handpalm zaten, zou de pols zichtbaar zijn geweest - met of zonder littekens.

De conclusie moet luiden dat we het niet weten. Op basis van redenering zouden we kunnen kiezen voor littekens in de pols. Maar bewijs is er niet.

Psalm 22

Lezers van dit epistel zullen inmiddels wel de gedachte aan psalm 22 voelen opkomen. En inderdaad, in vers 17 is sprake van het doorboren van handen en voeten. Deze psalm is zeer geliefd onder christenen, omdat we er een voorafschaduwing van de kruisiging in zien. En dat is ook zo. De beste bevestiging van die opvatting geeft de Bijbel zelf. Zo lezen we in Johannes de volgende tekst.

Zij zeiden dan tot elkander: Laten wij dit niet scheuren, maar erom loten, voor wie het zijn zal; zodat het schriftwoord vervuld werd: Zij hebben mijn klederen onder elkander verdeeld en over mijn kleding hebben zij het lot geworpen. Dit hebben dan de soldaten gedaan. (Johannes 19:25)

'(…) zodat het schriftwoord vervuld werd (…)' staat er. Dit laat aan duidelijkheid niets te wensen over. De Bijbel beschouwt psalm 22 als profetie aangaande gebeurtenissen rondom het kruis, een profetie die 'vervuld' diende te worden.

15 Als water ben ik uitgestort en al mijn beenderen zijn ontwricht; mijn hart is geworden als was, het is gesmolten in mijn binnenste;
16 Verdroogd als een scherf is mijn kracht, mijn tong kleeft aan mijn gehemelte; in het stof des doods legt Gij mij neer.
17 Want honden hebben mij omringd, een bende boosdoeners heeft mij omsingeld, die mijn handen en voeten doorboren.
18 Al mijn beenderen kan ik tellen; zij kijken toe, zij zien met leedvermaak naar mij.
19 Zij verdelen mijn klederen onder elkander en werpen het lot over mijn gewaad. (Psalm 22:15-19)

'(…) die mijn handen en voeten doorboren'. Is dit dan het bewijs dat we nodig hebben? De psalm, die profetisch spreekt over de kruisiging, vertelt ons dat de handen van onze Heiland zullen worden doorboord. In het Hebreeuws wordt 'yad' (יד) gebruikt. Dat woordje klinkt bekend. In het Jiddisch moet iemand met zijn 'jatten' ergens afblijven. Een jad is een zilveren bladwijzer die in de synagoge gebruikt wordt tijdens het voorlezen uit de Thora. De aanwijzer heeft de vorm van een stok met aan het uiteinde een handje. Maar helaas (?), ook hier kunnen we niet 100% zeker zijn. Er staat in het Oude Testament een tekst die roet in het eten gooit.

17 En gij, mensenkind, richt u tegen de dochters van uw volk, die naar eigen inzicht profeteren; profiteer tegen haar,
18 En zeg: Zo zegt de Here Here: wee haar, die toverbanden binden om alle polsen en die sluiers winden om het hoofd van groot en klein, om zielen te vangen! Zoudt gij zielen vangen van mijn volk en uw eigen zielen in het leven behouden? (Ezechiël 13:17-18)

In vers 18 zien we polsen staan. In de grondtekst vinden we merkwaardigerwijs yaday, afgeleid van yad. Dit betekent dat in het Hebreeuws 'yad' vertaald kan worden met pols, net zoals in het Nieuwe Testament dat met 'cheir' het geval is.

Waarom komen we er niet achter?

Ik geef twee citaten van A.C. Gaebelein.
Uit zijn commentaar op het evangelie naar Mattheus:

Geen enkele beschrijving van deze handeling wordt in de Evangeliën gegeven. Kruisigen was de gruwelijkste manier om misdadigers ter dood te brengen. Deze marteling vond haar oorsprong in Phoenicië en was door de Romeinen overgenomen.
De Joden zelf kenden deze wijze van ter dood brengen niet. En daar de Heilige Geest geen bijzonderheden openbaart over het nagelen van de Heer aan het kruis, zullen wij ons er ook van onthouden. Verhoogd, Zijn handen en voeten doorboord, elke spier gespannen en bloedend uit Zijn lichaam hing Hij aan het kruis, terwijl Hij de onduldbare pijnen doorstond van zulk een dood.

Uit zijn commentaar op het evangelie naar Johannes:

Nergens in de Evangeliën vinden we een uitvoerige beschrijving van de kruisiging zelf. We lezen alleen de woorden: ‘En zij kruisigden Hem daar.’ Dit is met geen pen te beschrijven. Daarom willen wij ook niet proberen, zoals sommigen gedaan hebben, dit verschrikkelijke tafereel te beschrijven. Het Lam van God werd aan het smadelijke kruis gespijkerd! Dit is een lijden dat wij niet ten volle kunnen begrijpen.

Het is genoeg te weten dat onze Here werd gekruisigd. Bovendien waarschuwt Mozes ons rekening te houden met door God gestelde grenzen aan het weten.

De verborgen dingen zijn voor de Here, onze God, maar de geopenbaarde zijn voor ons en onze kinderen voor altijd (…)(Deuteronomium 29:29)

woensdag 30 augustus 2017

Kaartvraag

In de grote zaal van gebouw Rehoboth te Dokkum - thuishaven van de Vergadering van Gelovigen hangt een kaart van het Midden-Oosten in Bijbelse tijden. In het hart van deze kaart is een afbeelding opgenomen van de verdeling van het land Kanaän ten tijde van Jozua. Onderstaand kaartje laat zien hoe dat er ongeveer uitzag.




Een van onze broeders voelde bij dit kaartje een vraag opkomen. 'Trokken de Assyriërs dwars door Juda om de stam Simeon "op te halen"?' Een terechte vraag. Het Tienstammenrijk bestond uit de bekende twaalf stammen minus Juda en Benjamin. Omdat het Tienstammenrijk God verliet, afgoden diende en andere gruwelen in praktijk bracht, werden de inwoners uit hun omgeving weggevoerd en verstrooid over diverse landen. God gebruikte hiervoor het Assyrische Rijk. Ervan uitgaande dat het leger van Assyrië uit het noorden kwam zou dat betekenen dat men dwars door Juda moest trekken om de stam Simeon te deporteren. In de Bijbel blijkt daar niets van. Zie daar het probleem. De oplossing van dit raadsel is gelukkig minder moeilijk dan het lijkt.

Dina en Sichem

Het begint allemaal in Genesis 34. Simeon en Levi, twee zonen van Jakob laten zich daar van hun slechtste kant zien. Wat was het geval? Behalve de twaalf zonen had Jakob een dochter, Dina. Haar moeder was Lea.

Daarna baarde zij (Lea) een dochter en noemde haar Dina. (Genesis 30:21)

Eenmaal volwassen bleek Dina een ondernemend type.

Dina, de dochter van Lea, die zij Jakob gebaard had, ging eens uit om de dochters des lands te
bezoeken. (Genesis 34:1)

Helaas liep haar excursie uit op een drama.

Toen zag haar Sichem, de zoon van de Chiwwiet Hemor, de vorst des lands, en hij nam haar en lag bij haar en verkrachtte haar. (Genesis 34:2)

Toen haar broers hiervan hoorden besloten twee van hen - Simeon en Levi dus - wraak te nemen. Ze namen geen halve maatregelen en doodden alle mannen in de stad Sichem. Hun vader Jakob was hier uiteraard niet gelukkig mee. Maar hij kon weinig uitrichten, omdat de misdaad reeds had plaatsgevonden. Jaren verstreken.
Aan het eind van zijn leven riep Jakob zijn zonen bijeen om hen te zegenen en profetieën over hen uit te spreken. Bij deze gelegenheid bleek er geen zegen te zijn voor Simeon en Levi. Jakob zei:

5 Simeon en Levi zijn broeders; hun gereedschappen zijn werktuigen van geweld.
6 Mijn ziel hebbe geen deel aan hun beraadslaging, mijn geest sluite zich niet aan bij hun
vergadering, want in hun toorn hebben zij mannen gedood en in hun moedwil hebben zij
runderen de pezen doorgesneden.
7 Vervloekt zij hun toorn, want die is hevig, en hun grimmigheid, want die is hard. Ik zal hen
verdelen onder Jakob en verstrooien onder Israël. (Genesis 49:5-7)

Hij komt dus terug op de misdaad die Simeon en Levi pleegden in Sichem. Hij noemt drie zaken:

1. Simeon en Levi zijn mannen van geweld;
2. Het zijn moordenaars;
3. Het zijn mannen die dieren mishandelen.

De vloek die Jakob uitspreekt is: 'Ik zal hen verdelen onder Jakob en verstrooien onder Israël'. Het werkwoord dat gebruikt wordt in de grondtekst (puwts) is hetzelfde als gebruikt wordt voor het 'verstrooien' van Israël onder de volken.

De Here zal u onder de natien verstrooien en gij zult met een klein getal overblijven onder de
volken, bij wie de Here u brengen zal; (Deuteronomium 4:27)

Ik verstrooi hen onder de volkeren die zij niet kennen, zij noch hun vaderen, Ik zend hun het
zwaard achterna, totdat Ik aan hen een einde zal gemaakt hebben. (Jeremia 9:16)

Daarom spreek: zo zegt de Here Here: hoewel Ik hen weggedreven heb onder de volken en
in de landen heb verstrooid (…)(Ezechiël 11:16). 

De heren krijgen dus geen eigen gebied. Van Levi is dat duidelijk vanaf het begin. Meteen na de verovering van het land Kanaän woont de stam Levi verspreid over Israël in 48 steden (zie Jozua 13:33 en 21:1-45). Simeon kreeg evenmin een afgegrensd stuk land, maar een aantal steden in Juda. Vandaar dat Simeon op kaarten met de vroegste verdeling nog wordt aangegeven. Uiteindelijk 'loste' Simeon 'op' in Juda. De volgende tekstplaatsen getuigen van deze gang van zaken:

Het tweede lot kwam te voorschijn voor Simeon, voor de stam der Simeonieten naar hun
geslachten. Hun erfdeel lag midden in het erfdeel der Judeeers. (Jozua 19:1)

Uit het deel der Judeeërs was het erfdeel der Simeonieten genomen. Omdat het deel der
Judeeeërs voor hen te groot was, kregen de Simeonieten een erfdeel in hun midden.
(Jozua 19:9)

24 De zonen van Simeon waren: Nemuel, Jamin, Jarib, Zerach en Saul;
25 Diens zoon was Sallum, diens zoon Mibsam, diens zoon Misma.
26 En de zonen van Misma: zijn zoon Chammuel, diens zoon Zakkur, diens zoon Simi.
27 En Simi had zestien zonen en zes dochters; zijn broeders echter hadden niet vele zonen.
Hun gehele geslacht was niet zo talrijk als de nakomelingen van Juda.
28 Zij woonden in Berseba, Molada, Chasar-sual,
29 Bilha, Esem, Tolad,
30 Betuel, Chorma, Siklag,
31 Bet-hammarkabot, Chasar-susim, Bet-biri en Saaraim; dit waren hun steden, totdat David
koning werd. (1 Kronieken 4:24-31)

Assyriërs

Als dan de Assyriërs komen en het Tienstammenrijk wegvoeren, worden 9 stammen vanaf hun eigen grondgebied weggevoerd, plus een aantal Levieten en Simeonieten (voor zover die ten noorden van Juda woonden). De overige Simeonieten, die in Juda woonden, bleven ongemoeid. Pas ten tijde van Nebukadnezar gingen zij tezamen met Juda en Benjamin in ballingschap. Het is dus niet zo dat de Assyriërs dwars door Juda trokken om ook de Simeonieten gevangen te nemen. Die Simeonieten waren opgegaan in Juda en werden door de Assyriërs voor Judeeërs aangezien.

Voorgoed verdwenen?

De nakomelingen van Simeon leven ook nu nog onder het huidige volk Israël. Eens zullen ze als Simeonieten herkend worden. Ze zullen door God worden ingezet voor Zijn doel.

1. Als de 144.00 uit Openbaring 7 verzegeld worden, zijn daar 12.000 mannen uit de stam Simeon bij.

4 En ik hoorde het getal van hen, die verzegeld waren: honderdvierenveertigduizend waren
verzegeld uit alle stammen der kinderen Israels.
5 Uit de stam Juda twaalfduizend verzegelden, uit de stam Ruben twaalfduizend uit de stam
Gad twaalfduizend,
6 uit de stam Aser twaalfduizend, uit de stam Naftali twaalfduizend, uit de stam Manasse
twaalfduizend,
7 uit de stam Simeon twaalfduizend, uit de stam Levi twaalfduizend, uit de stam Issakar
twaalfduizend,
8 uit de stam Zebulon twaalfduizend, uit de stam Jozef twaalfduizend, uit de stam Benjamin
twaalfduizend verzegelden. (Openbaring 7:4-8)

2. Ezechiël schrijft aan het eind van zijn boek dat in het duizendjarig rijk de tempel zal worden herbouwd: we krijgen als het ware een gedetailleerde rondleiding. Ook het land wordt opnieuw ingericht. Een van de stammen die wordt genoemd is die van Simeon, want in het duizendjarig rijk zal Simeon een eigen deel van het land krijgen.

23 Wat nu de overige stammen betreft, (…)
24 …) van de oostzijde tot de westzijde: Simeon een deel; (Ezechiël 48:23-24)