Inhoudsopgave

woensdag 30 mei 2018

De Knecht des Heren (13) - De grootheid van de Zoon des Mensen



De grootheid van de Zoon des Mensen

De verheerlijking op de berg, de verschijning van de Rechter in het boek Openbaringen, het zijn indrukwekkende gebeurtenissen. Ze bepalen ons bij Wie Hij is, de Koning der koningen en de Heer der heren.
Wij mensen laten ons gemakkelijk en graag imponeren door grootse uiterlijkheden. Ieder kan ervan mee praten. Je ontvangt iemand graag in je kasteel van een woning, maar als je in een armzalig hutje woont, hoe zou het je dan vergaan? En wat zou toch de achtergrond zijn van de opmerking 'let maar niet op de rommel', terwijl de hele woning keurig opgeruimd is? Uiterlijkheden! Wat dringt het moeilijk tot ons door dat mensen die het hart op de juiste plaats hebben, niet op bezoek komen om ons huis te inspecteren, maar om een ontmoeting te hebben. Kasteel of plaggenhut, wat maakt het dan uit?

Nu wil ik niet suggereren dat het tonen van de werkelijke gestalte van de Heer een zaak van uiterlijkheden zou zijn. Ik bedoel alleen maar te zeggen dat als we over de grootheid van de Heer spreken, we meestal geneigd zijn aan dit soort dingen te denken. En na enig aandringen worden dan ook nog wel de wonderen en tekenen, en Zijn wijsheid genoemd. Maar laten we eens horen wat de Here Jezus Zelf zegt over het 'groot zijn' van mensen.

(…)  wie groot wil worden onder u, zal uw dienaar zijn; en wie onder u de eerste wil zijn, zal aller slaaf zijn. Want ook de Zoon des mensen is niet gekomen om Zich te laten dienen, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen. (Markus 10: 44-45)

Overbekende woorden! Vooral vers 45 lezen we dikwijls in de eredienst, en terecht. Maar wat zegt de Heer? Hij is gekomen om te dienen. Anders gezegd, Hij nam de laagste plaats in. En wat zegt dat over Hem? Dat Hij de allergrootste is! De discipelen waren verbijsterd toen ze hun Heer op de berg van gedaante zagen veranderen, Johannes viel als dood aan Zijn voeten. Maar nu zegt de Heer dat Hij de kleinste wil zijn (denk ook aan Johannes 13!).
Wie de kleinste is, de geringste van allemaal, weet wat dat betekent: knielen! En dat was precies wat de Here Jezus deed toen Hij de voeten van de discipelen waste (Johannes 13). Maar we denken toch vooral aan de gebeurtenissen in Gethsemané. Daar en toen zagen we de grootheid van de Heer!

Gethsemané

Wat kunnen we aan bijzonderheden opmerken in de geschiedenis rond 'Getsemané'? Marcus schrijft:

En Jezus zeide tot hen: Gij zult allen aanstoot aan Mij nemen, want er staat geschreven: Ik zal de herder slaan en de schapen zullen verstrooid worden. (Marcus 14:27)

Gods Zoon wordt door God Zelf geslagen - in onze plaats. Hij komt als Mens geheel alleen te staan. Het is hier enkel de Vader en de Zoon. Nog een tekst uit Marcus:

Hij zeide tot hen: Mijn ziel is zeer bedroefd, tot stervens toe; blijft hier en waakt. (Marcus 14:34)

Maar de discipelen falen hopeloos:

37 En Hij kwam en vond hen slapende, en Hij zeide tot Petrus: Simon, slaapt gij? Waart gij niet bij machte een uur te waken?
40 En toen Hij terugkwam, vond Hij hen slapende, want hun ogen waren zeer bezwaard; en zij wisten niet, wat zij Hem zouden antwoorden. (Marcus 14:37, 40)

De Here Jezus waakte met Zijn Vader; de mens is hier van geen nut. De Here Jezus kon op niemand anders steunen dan op God alleen. Lukas geeft ons nog meer informatie:

41 En Hij zonderde Zich van hen af, ongeveer een steenworp ver, knielde neder en bad
42 deze woorden: Vader, indien Gij wilt, neem deze beker van Mij weg; doch niet mijn wil, maar de uwe geschiede!
43 En Hem verscheen een engel uit de hemel om Hem kracht te geven.
44 En Hij werd dodelijk beangst en bad des te vuriger. En zijn zweet werd als bloeddruppels, die op de aarde vielen. (Lukas 22:41-44)

De Here Jezus geeft Zich volkomen over aan de Vader. De beker die Hij moest drinken werd Hem niet aangereikt door de mensen, noch door de satan. Hij krijgt de beker uit de hand van Zijn Vader. Mens en satan zijn hier niet meer dan werktuigen, ze werken zonder zich ervan bewust te zijn mee aan de uitvoering van het verlossingsplan.

Door al deze gebeurtenissen wordt het duidelijk: ook in Getsemané ligt de macht bij de Here. Hij bepaalt wat er gebeurt en hoe het gebeurt.

- Hij laat Zich gevangennemen;
- Hij geneest;
- Hij vermaant Petrus;
- Hij vermaant de menigte.

Christus bleef in elke omstandigheid Zichzelf: Goddelijk volmaakt. Alle gebeurtenissen brachten alleen maar Zijn volmaaktheid beter in het licht. Hij voelde de druk van al die gebeurtenissen, maar werd door geen beheerst. Hij doorleefde ze, maar bleef altijd Zichzelf. En dan is er die wonderlijke dubbelheid: Hij was in genade bij de discipelen en Hij was in folterende strijd bij de gedachte aan de beker die Hem wachtte.
(Vrij naar John Darby)

Als ik bedenk, hoe Jezus zonder klagen
tot in de dood gegaan is als een Lam,
sta ik verbaasd,
dat Hij mijn schuld wou dragen
en aan het kruis mijn zonde op zich nam.

Dan zingt mijn ziel
tot U, o Heer mijn God
hoe groot zijt Gij,
hoe groot zijt Gij!


maandag 28 mei 2018

De Knecht des Heren (12) - Het oordeel van de Rechter


Liefde en rechtvaardigheid
Nadat we in het vorige artikel iets hebben gezien van de heerlijkheid van de Here Jezus, gaan we nu naar het eerste hoofdstuk uit Openbaring.
Ook hier zien we de Here Jezus in verheerlijking. Het beeld is echter totaal anders. Immers, maar al te vaak horen we spreken over 'lieve Heer Jezus', of 'onze lieve Heer'. Daardoor krijgt men ten onrechte het idee dat de Here Jezus zo goed is, dat je het als mens eigenlijk niet verkeerd kan doen bij Hem. Het tegendeel is waar. Inderdaad, God is liefde, zo ook Zijn Zoon. Maar God is ook rechtvaardig, Iemand die de zonde niet ongestraft laat. En Zijn oordeel is niet onrechtvaardig, sterker, er is niemand die zo rechtvaardig kan oordelen als Hij.

De Bijbel spreekt over verschillende oordelen
1. Er is het oordeel over de zonde. Ieder mens zondigt, en schiet tekort waar het de eis van God betreft. Ieder mens valt dus onder het oordeel. Ieder mens? Nee, alleen zij die willens en wetens het genadeaanbod van God afslaan. De Here Jezus stierf voor de zonden van de mensheid, en aangezien God rechtvaardig is, zal hij de zonde niet tweemaal oordelen. Geloven in de Here Jezus als Gods Zoon en aanvaarden dat Hij voor ons stierf, brengt ons vrijspraak. De hemel staat open voor iedereen, maar een mens wordt alleen toegelaten op Gods voorwaarden.
2. Er is het oordeel over de volken. Aan het eind van de Grote Verdrukking worden alle volken voor de Koning geleid. Zij worden beoordeeld in hun houding ten opzichte van het volk Israël. Zo belangrijk vindt God Israël dat er zelfs een apart oordeel voor is ingesteld. Overigens speelt dat oordeel ook nu al een rol. We hebben dat eerder gezien in de reeks over Israël. Een land kent welvaart en voorspoed als het de Joden goed behandelt. We kunnen dit niet ernstig genoeg nemen, zeker hier in Nederland.
3. Dan is er het oordeel over Israël. Door de geschiedenis heen zien we dat het oordeel van God zich met dit volk bezighoudt. Denk aan de wegvoeringen naar Assyrië en Babel. Denk aan de verwoesting van stad en tempel door de Romeinen.
4. We weten ook van een oordeel over de gelovigen. Jazeker, ook gelovigen worden geoordeeld door de Here Jezus. Alleen worden niet onze zonden geoordeeld, maar onze werken, onze daden voor Hem. Zie de gelijkenissen van de ponden en de talenten. Hoe hebben we onze tijd, bezittingen en geestesgaven ingezet?
5. Het bekendste oordeel is waarschijnlijk het oordeel over de ongelovigen. Het oordeel voor de 'Grote witte troon'. Het criterium is eenvoudig, de mens wiens naam niet in het boek des levens staat, is voor eeuwig verloren. Zie ook Lukas 10:20.
6. En er is het oordeel over de gemeente. Petrus schrijft dat het oordeel begint bij het Huis van God (= de christenheid). In hoofdstuk 2 en 3 van het boek Openbaring lezen we hoe de Here Jezus oordeelt. Hij bespreekt, wijst aan wat goed is, wat niet goed is, en hoe Hij zal handelen met de betrokken gemeente. Net als met Israël is dit een proces dat zich de eeuwen door voltrekt. Het definitieve oordeel over de christenheid wordt geveld door middel van de Opname. Dan zal duidelijk worden wie wel en wie niet echt christen is of was.

De Rechter en Zijn oordeel
Dan gaan we nu naar het gedeelte uit Openbaring 1. Omdat dit gedeelte lastig is te beschrijven, volg ik in dit geval de 'vers-voor-vers'-methode, dat wil zeggen na elk vers komen enkele verduidelijkende opmerkingen.

9 Ik, Johannes, uw broeder en deelgenoot in de verdrukking en in het Koninkrijk en de volharding in Jezus, was op het eiland, genaamd Patmos, om het woord Gods en het getuigenis van Jezus.

We maken hier opnieuw kennis met de apostel Johannes. Hij was als jonge jongen al een van de discipelen die Jezus volgden. In het evangelie noemt hij zich 'de discipel die Jezus liefhad', in zijn brieven noemt hij zich 'de oudste', hier presenteert hij zich nederig als 'broeder', hij is slechts een van ons. Verder maakt hij zich bekend als 'deelgenoot in de verdrukking', 'deelgenoot in het Koninkrijk' en 'deelgenoot in de volharding'. Het leven van een getuigend gelovige was destijds verre van eenvoudig, Johannes wist er van mee te praten. Zoals bekend was hij gevangengezet op Patmos. Waarom? Hij predikte het Woord Gods en getuigde van zijn Heer en Heiland, Jezus Christus.

10 Ik kwam in vervoering des geestes op de dag des Heren, en ik hoorde achter mij een luide stem, als van een bazuin,

Johannes raakte in vervoering des geestes. Wat is dat? Hij werd door de kracht van de Heilige Geest in staat gesteld dingen te zien en te horen die hij normaalgesproken nooit had kunnen horen of zien. Het was op de dag des Heren. Daarmee wordt niet de Grote Verdrukking bedoeld, maar de eerste dag van de week. Letterlijk staat er 'de dag die bij de Here hoort'. En dat is de opstandingsdag. Als in Openbaring de Grote Verdrukking wordt genoemd, gebruikt Johannes de uitdrukking 'grote dag'.
Hij hoort een stem, luid en krachtig, als een bazuin - een voorloper van de trompet.

11 zeggende: Hetgeen gij ziet, schrijf dat in een boek en zend het aan de zeven gemeenten: naar Efeze, en naar Smyrna, en naar Pergamum, en naar Tyatira, en naar Sardes, en naar Filadelfia en naar Laodicea.

De stem geeft Johannes een heldere opdracht. Hij moet opschrijven wat hij ziet, het bundelen tot een boek en dat aan zeven met name genoemde gemeente sturen.

12 En ik keerde mij om, ten einde de stem te zien, die met mij sprak. En toen ik mij omkeerde, zag ik zeven gouden kandelaren,

Tja, Johannes hoort een stem, een geweldige stem. Nu wil hij wel eens weten wie tot hem spreekt. Het eerste wat hij zegt te zien zijn zeven gouden kandelaren. Deze beelden zeven gemeenten uit.

13 en te midden van de kandelaren iemand als eens mensen zoon, bekleed met een tot de voeten reikend gewaad, en aan de borsten omgord met een gouden gordel;

Midden tussen de kandelaren staat een indrukwekkende gestalte, gekleed als koning en priester. De hogepriester was belast met de rechtspraak, later ook de koning (denk maar aan Salomo). Goud ziet op de heerlijkheid van God.

14 en zijn hoofd en zijn haren waren wit als witte wol, als sneeuw, en zijn ogen als een vuurvlam;

Het witte van zijn hoofd en haren doet denken aan de verheerlijking op de berg. Het symboliseert absolute reinheid. Zijn ogen als een vuurvlam gaan rond en zien alles met de ogen van de rechter. Gods oordeel is als een verterend vuur.

15 en zijn voeten waren gelijk koperbrons, als in een oven gloeiend gemaakt, en zijn stem was als een geluid van vele wateren.

Koper is in de Bijbel beeld van praktische gerechtigheid. Deze gerechtigheid is door het (oordeels)vuur beproefd en er niet door verteerd.
Hebt u wel eens het geluid van een snelstromende rivier gehoord? Of van een donderende waterval? Het geluid van een zware branding? De stem die Johannes hoort klinkt als een combinatie van alle drie!

16 En Hij had zeven sterren in zijn rechterhand en uit zijn mond kwam een tweesnijdend scherp zwaard; en zijn aanzien was gelijk de zon schijnt in haar kracht.

Wat de zeven sterren en de zeven kandelaren betekenen wordt ons in vers 20 uitgelegd. 'De zeven sterren zijn de engelen der zeven gemeenten, en de kandelaren zijn de zeven gemeenten.' Met de engelen worden de verantwoordelijken in de gemeenten bedoeld. Het zwaard stelt het Woord van God voor. De gemeenten worden beoordeeld op grond van het Woord, het Woord dat men in de gemeente zo goed kent.
 Johannes kijkt de Here aan, maar kan dat niet volhouden. Het is alsof hij met onbeschermde ogen rechtstreeks naar de felle zon kijkt.

17 En toen ik Hem zag, viel ik als dood voor zijn voeten; en Hij legde zijn rechterhand op mij en zeide: Wees niet bevreesd, Ik ben de eerste en de laatste,

Tegenover zo'n demonstratie van goddelijke heerlijkheid en kracht kan Johannes niet blijven staan. Wij zouden zeggen: 'Hij schrok zich dood'. Geen wonder. Maar dan blijkt dat deze Persoon dezelfde is als Degene Die Johannes zo goed kende. Hoe vaak hadden de discipelen Hem niet horen zeggen: 'Wees niet bevreesd'. En nu hoorde hij die woorden weer.

18 en de levende, en Ik ben dood geweest, en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheden, en Ik heb de sleutels van de dood en het dodenrijk.

De Here Jezus verzekert Johannes dat Hij alle macht heeft, ook over leven en dood. Deze demonstratie van macht mag Johannes dan ook verstaan als bemoediging, als geruststelling. Hij hoeft niet bang te zijn. Als God voor ons is, Wie zal dan tegen ons zijn. Deze Rechter is immers ook onze Heiland. Hij komt ook niet om Johannes te oordelen, maar de gemeenten. Hij komt niet om te oordelen wie wel en wie niet verloren gaan. Dat oordeel komt pas na het Duizendjarig Rijk. En Johannes weet dat hij niet voor die oordeelstroon zal hoeven te verschijnen. Wie zijn vertrouwen op Christus stelt, zal niet verloren gaan.
Wat komt deze Rechter dan wel doen? Hij gaat het getuigenis van de gemeenten beoordelen. De kandelaren verspreiden licht, de olie die brandt is de Heilige Geest. Is het getuigenis van deze gemeenten in overeenstemming met hun hoge roeping? De Rechter ziet alles, en zal in hoofdstuk 2 en 3 nauwkeurig aangeven wat wel en wat niet goed is. Als het totale oordeel negatief uitvalt zal Hij de kandelaar wegnemen (Openbaring 2:5). En dat is precies wat er is gebeurd. Geen van de genoemde gemeenten bestaat meer. De kandelaren zijn dus weggenomen.
Hoe zit het met ons? Het christendom in Nederland verliest meer en meer terrein. Is de Here bezig om ook hier de kandelaren weg te nemen?

zaterdag 26 mei 2018

De Knecht des Heren (11) - Christus en de volken | Christus' heerlijkheid


Christus en de volken
De oude Simeon sprak een geweldige profetie uit.

29 Nu laat Gij, Here, uw dienstknecht gaan in vrede, naar uw woord,
30 want mijn ogen hebben uw heil gezien,
31 dat Gij bereid hebt voor het aangezicht van alle volken:
32 licht tot openbaring voor de heidenen en heerlijkheid voor uw volk Israël. (Lukas 2:29-32)

Hij verwachtte de komst van de Messias, zag Hem en hield Hem in zijn armen. En dan profeteert hij. Deze kleine baby is het heil van God over alle volken. Licht tot openbaring voor de heidenen (= de genadetijd) en heerlijkheid voor uw volk Israël (= het Duizendjarig Rijk).
We lezen op veel plaatsen in het Nieuwe Testament 'eerst de Jood, dan de Griek'. De Here Jezus Zelf geeft ook duidelijk te kennen dat Hij is gestuurd naar het volk Israël. Tegen de Kananese vrouw zegt Hij:

(…) Ik ben slechts gezonden tot de verloren schapen van het huis Israëls. (Mattheüs 15:24)

Maar we weten hoe het gegaan is. De Joodse leiders willen niet luisteren. Paulus zegt hun daarom de wacht aan.

Het zij u dan bekend, dat dit heil Gods aan de heidenen gezonden is; die zullen dan ook horen! (Handelingen 28:28)

In de rondgang van de Here Jezus door het land zijn er twee momenten dat Hij Zich verwondert. De eerste keer is in Nazareth.

En Hij verwonderde Zich over hun ongeloof. (Markus 6:6)

De tweede keer is in Kafarnaum, toen de slaaf van de hoofdman ziek was (het hele verhaal staat in Lukas 7:1-10).

Toen Jezus dit hoorde, verwonderde Hij Zich over hem, en Zich kerende tot de schare, die Hem volgde, sprak Hij: Ik zeg u, zelfs in Israël heb Ik een zo groot geloof niet gevonden! (Lukas 7:9).

Is het niet verbazingwekkend? Ongeloof bij Israël, geloof bij een heiden. Nu is het zo, dat het ten diepste altijd gaat om geloof en ongeloof. En deze hoofdman gelooft. En hoe! Hij beseft ten volle met Wie hij te maken heeft. Hij noemt zichzelf niet waard, dat de Here onder zijn dak komt. Hij vindt zich zelfs niet goed genoeg om in eigen persoon naar de Heer te gaan. Hij stuurt een ondergeschikte. Als de Heer slechts een machtswoord spreekt zal de slaaf herstellen. De hoofdman zelf hoeft daar geen enkele rol in te spelen.
De Joden die het verzoek overbrengen, hebben een veel beperktere kijk op de Heer. Ze zijn er van overtuigd dat Hij de slaaf zal kunnen genezen, maar veel verder komen ze niet. Sterker nog, terwijl de hoofdman benadrukt dat hij zichzelf niet waardig acht, zeggen de Joden juist dat hij (de hoofdman) het waard is dat de Heer iets voor hem doet. Geloof in de Here Jezus is dan ook in de eerste plaats weten Wie Hij is. Hij is God, Hij is de Messias. Hoe meer een gelovige dat beseft, hoe groter de Here Jezus voor hem wordt.

Hij moet wassen, ik moet minder worden. (Johannes 3:30)

De heerlijkheid van de Zoon des Mensen
 Hoewel het hele Nieuwe Testament getuigt van de goddelijkheid van de Here Jezus, komt deze toch het meest naar voren in die gedeelten waarin gesproken wordt over Zijn heerlijkheid. Heerlijkheid is een wat lastige term, het heeft iets ongrijpbaars, je voelt ongeveer wel aan wat het is, maar de vinger erop leggen lukt niet echt. De omschrijving die mij het meest aanspreekt is: 'Heerlijkheid is zichtbaar geworden eer' (let op: dat is dus niet per definitie de beste). Wanneer je iemand eert spreek je positief over zijn persoon, over de kwaliteiten van zijn wezen. Die kwaliteiten zijn bij de Here Jezus uiteraard eindeloos aanwezig. Maar spreken is alleen maar hoorbaar. Nu, als nu al die positieve uitspraken zichtbaar zouden worden, dan kom je in de buurt van de uitdrukking 'heerlijkheid'. Maar hoe dat dan precies gaat is iets wat boven ons weten uitgaat. Ga maar na. Als de Here Jezus in Johannes 17:5 spreekt over 'de heerlijkheid die Ik bij U had, eer de wereld was', kan ik me geen enkele voorstelling maken van hoe dat er zal hebben uitgezien. We zullen voor nu daarmee tevreden moeten zijn. Het zien van de heerlijkheid van de Here Jezus ligt voor ons nog in de toekomst - zie Johannes 17:24. Toch staan we niet helemaal met lege handen. Volgens de schrijver van de Hebreeën zien wij de heerlijkheid van de Here Jezus wel degelijk, maar dan met ons 'geestesoog'. 'Wij zien Jezus met eer en heerlijkheid gekroond' (Hebreeën 2:9). Wat zou de schrijver daarmee bedoelen? Uit het verband blijkt dat de reden van deze kroning met eer en heerlijkheid gelegen is in Zijn sterven aan het kruis. Paulus schrijft in zijn brief aan de gemeente te Filippi hetzelfde.

8 En in zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood des kruises.
9 Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de naam boven alle naam geschonken. (Filippenzen 2:8-9)

Heerlijkheid en eer wordt hier omschreven als 'verhoogd' en 'dragende de naam boven alle naam'. Maar opnieuw: het valt niet mee er een plaatje bij te bedenken.

Een spade dieper
Laten we nog wat verder spitten. Er zijn passages in de Bijbel waarin verteld wordt dat gelovigen de heerlijkheid van de Here Jezus hebben gezien. Het begint al in het Oude Testament in het boek Daniël.

9 Terwijl ik bleef toekijken, werden tronen opgesteld, en een Oude van dagen zette Zich neder; zijn kleed was wit als sneeuw en zijn hoofdhaar blank als wol; zijn troon bestond uit vuurvlammen, de raderen daarvan uit laaiend vuur;
13 Ik bleef toekijken in de nachtgezichten en zie, met de wolken des hemels kwam iemand gelijk een mensenzoon; hij begaf zich tot de Oude van dagen, en men leidde hem voor deze;
14 En hem werd heerschappij gegeven en eer en koninklijke macht, en alle volken, natiën en talen dienden hem. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet zal vergaan, en zijn koningschap is een, dat onverderfelijk is. (Daniel 7:9,13-14)

Met de wolken kwam iemand gelijk een mensenzoon. Een duidelijke verwijzing naar de Here Jezus. Hij zal komen met de wolken en Hij noemde Zichzelf dikwijls 'Zoon des mensen'. De Bijbel verklaart hier zich zelf, want de Here Jezus beroept Zich op Daniël 7.

63 (…) En de hogepriester zeide tot Hem: Ik bezweer U bij de levende God, dat Gij ons zegt, of Gij zijt de Christus, de Zoon van God.
64 Jezus zeide tot hem: Gij hebt het gezegd. Doch Ik zeg u, van nu aan zult gij de Zoon des mensen zien, gezeten aan de rechterhand der Macht en komende op de wolken des hemels. (Mattheüs 26:63-64)

Als de Here Jezus Zelf deze toepassing maakt, wie zal dan nog twijfelen?

De tweede passage is de verheerlijking op de berg. Denken we nog even terug aan de betekenis van heerlijkheid: 'zichtbaar geworden eer'. Lukas deelt ons mee:

En het geschiedde, terwijl Hij in het gebed was, dat het aanzien van zijn gelaat anders werd, en zijn kleding werd stralend wit. (Lukas 9:29)

We zien hier iets van de hemelse heerlijkheid. Die heerlijkheid komt van binnenuit en straalt door de kleding heen naar buiten. Zijn gezicht werd anders en Zijn kleren werden wit, lichtgevend als het ware. We zien dit vaker bij de verschijning van hemelbewoners, maar ook bij iemand als Mozes.

Toen Mozes van de berg Sinaï afdaalde, (de twee tafelen der getuigenis nu waren in de hand van Mozes, toen hij van de berg afdaalde) wist hij niet, dat de huid van zijn gelaat straalde, doordat hij met Hem gesproken had. (Exodus 34:29)

Het was een bijzonder indrukwekkend verschijnsel want we lezen:

Toen Aaron en al de Israëlieten Mozes zagen, zie, de huid van zijn gelaat straalde, en zij durfden hem niet naderen (Exodus 34:30).

Andere passages over dit verschijnsel vinden we in Mattheüs 28:2-4; Markus 16:5 en Handelingen 1:10.

Terug naar Lukas 9. Daar lezen we iets wat onze verwachting en hoop voor de eeuwigheid mag versterken.

En zie, twee mannen spraken met Hem, en wel Mozes en Elia. Dezen, in heerlijkheid verschenen (…)(Lukas 9:30)

Mozes en Elia waren in heerlijkheid verschenen! Dus ook heerlijkheid. Hun verschijning doet ons dus iets van Gods heerlijkheid zien. Er is echter wel een verschil met de Here Jezus. In vers 32 staat:

En Petrus en die met hem waren, werden door slaap overmand en, toen zij ontwaakten, zagen zij zijn heerlijkheid, en de twee mannen, die bij Hem stonden. (Lukas 9:32)

De heerlijkheid van de Here Jezus is van blijvende aard - het hoort bij Hem, terwijl de heerlijkheid van Mozes en Elia een afgeleide heerlijkheid is, die gevoed moet worden door een voortdurend verblijf in Gods nabijheid. Denk daarbij opnieuw aan Exodus 34. Daar blijft het gezicht van Mozes niet stralend. Na verloop van tijd is het verschijnsel 'uitgedoofd'. Maar als hij weer bij God op de berg is, keert het terug.

Nu begrijpen we ook iets van wat Paulus aan de gemeente te Korinte schrijft.

En wij allen, die met een aangezicht, waarop geen bedekking meer is, de heerlijkheid des Heren aanschouwen, veranderen naar hetzelfde beeld van heerlijkheid tot heerlijkheid, immers door de Here, die Geest is. (II Korinte 3:18)

Paulus omschrijft hier een geestelijke natuurwet. Door ons met Christus bezig te houden, nemen we iets van Hem over. Het is een positieve variant op 'waar je mee omgaat, word je mee besmet'.
Zo zal het in de eeuwigheid zijn. We zijn dicht bij de Here Jezus, we zullen delen in Zijn heerlijkheid. Lees de belofte in Openbaring.

4 Doch gij hebt enkele personen te Sardes, die hun klederen niet hebben bezoedeld, en zij zullen met Mij in witte klederen wandelen, omdat zij het waardig zijn.
5 Wie overwint, zal aldus bekleed worden met witte klederen; en Ik zal zijn naam geenszins uitwissen uit het boek des levens, maar Ik zal zijn naam belijden voor mijn Vader en voor zijn engelen. (Openbaring 3:4-5)

En Openbaring 1:9-20 dan? Ook daar wordt de heerlijkheid van de Here Jezus zichtbaar. In de toegevoegde details is echter nog veel meer van Zijn heerlijke Persoon te zien. Daarover in volgende artikel!